Het Zoute water

Sponzen  Neteldieren  Ringwormen  Zeespinnen  Kreeftachtige  Weekdieren  Mosdiertjes  Hoefijzerwormen  Stekelhuidig    Manteldieren  Vissen  Zoogdieren

--------------------PLAATS JE CURSOR HIER--------------------


   

Het zoute water  

 

Een nog grotere verscheidenheid aan leven dan in het zoete water, is te vinden in het zoute water langs onze Nederlandse kust. Al is in de meren met brak water dikwijls een beperkte soortenrijkdom te vinden, in de echte zoute wateren krioelt het van het leven. Zo zijn de Wester en Oosterschelde belangrijke broedkamers voor veel soorten die hun volwassen leven in open zee doorbrengen en deze twee wateren gebruiken om hun eieren af te zetten. Ook het Grevelingenmeer is voor sommige soorten een perfecte broedkamer en sinds de sluis langere tijd open blijft maken steeds meer zeedieren hier gebruik van. Maar niet alleen de dieren die deze wateren gebruiken als broedkamer zijn te vinden in deze wateren. Zo heeft elke zeearm een eigen karakteristieke flora en fauna die wordt beïnvloed door de soort dam waarmee de zeearm al dan niet mee is afgesloten. In de twee zeearmen die grotendeels van open zee zijn afgesloten zijn voor ons duikers de beste omstandigheden te vinden. Ten eerste het Grevelingenmeer met meestal een uitstekend zicht onder water, en met een weinig of geen stroming wat daardoor voor elke duiker te beduiken valt. Vervolgens de Oosterschelde wat meer iets is voor de wat meer gevorderde duiker omdat je meer met stroming te maken krijgt. Door die stroming komen hier dieren voor die een stevige stroming prefereren om zo in hun voedsel of andere behoefte te voorzien. Dit geeft een heel ander beeld dan het leven in het Grevelingenmeer dat meer langzaam stromend water verkiest. Zo zul je in deze twee verschillende zeearmen een even zo verschillende flora en fauna vinden al zul je ook veel van dezelfde planten en diersoorten in beide zeearmen aantreffen. De Westerschelde is door het drukke scheepvaartverkeer niet de ideale plek om een duik te maken en wordt daarom meestal gemeden. Wel is het mogelijk om op sommige plaatsen vanaf de kust in de Noordzee te duiken, maar om het echte Noordzee leven te observeren moet je toch echt een wrakduik maken. Wrakken zijn kunstmatige riffen die in een verder onherbergzame omgeving een perfecte leefomgeving vormen voor veel planten en diersoorten. Doordat deze planten en dieren zich hier vestigen  komen hier ook vaak grotere vissen langs om hun honger te stillen. Voor deze vissen zijn de wrakken oases in een verder schijnbaar levensloze woestijn van zand. Omdat sommige planten en dieren een harde ondergrond nodig hebben om zich te kunnen vestigen zul je hen tegenwoordig op plaatsen aantreffen waar ze voorheen onmogelijk konden leven.  Denk maar aan de wrakken maar ook aan de dijken, pijlers en dammen die voor een groot gedeelte uit stenen, beton of hout bestaan en zo een uitstekende hechtplaats zijn voor dergelijke planten en dieren-gemeenschappen. De door de mens veroorzaakte veranderingen in het onderwaterlandschap en stromingspatronen hebben er voor gezorgd dat er een unieke flora en fauna is ontstaan in het Grevelingenmeer en de Oosterschelde. Nu heeft het meestal een negatieve uitwerking als de mens het leefmilieu dusdanig verandert, maar in het Grevelingenmeer en de Oosterschelde heeft het voor ons duikers een zichtbaar positieve invloed gehad!

 

 

Het Grevelingenmeer

De zeearm die voor de voltooiing van de Grevelingendam en de Brouwersdam nog gewoon de Grevelingen heette, werd na de voltooiing in 1971 ineens het Grevelingenmeer. In het begin van het bestaan van het meer was er zelfs enkele keren sprake om het Grevelingenmeer net als de Zuiderzee te laten verzoeten. Maar gelukkig stonden beroepsvissers en milieuactivisten samen op de bres om die plannen ongedaan te maken. Na de zeven jaar dat het meer van al het omringende zout water was afgesloten werd besloten om een sluis te leggen in de Grevelingendam ter hoogte waar de Philipsdam op de Grevelingendam aansluit. Het originele Deltaplan was om eerst de Oosterschelde af te sluiten en te laten verzoeten om vervolgens in de inmiddels ook afgesloten Grevelingen zoet water over te hevelen met deze sluis. Maar pas in 1983 komt het bevel gereed voor de bouw van deze sluis terwijl dan de plannen al dusdanig zijn veranderd dat deze sluis zijn oorspronkelijke functie niet meer kan uitvoeren. Tot dan toe was de kleine scheepvaartsluis bij Bruinisse de enige verbinding met zout water. Er was dus al die tijd geen vers zout water het Grevelingenmeer meer in gestroomd wat tot gevolg had dat de platvis en kreeft populaties bijna geheel verdwenen uit het meer. Nadat in 1983 dan eindelijk alle eerdere plannen definitief van tafel werden geveegd, werden plannen bedacht om de al bestaande sluizen te gebruiken om zout water binnen te laten stromen. Dus de hevelsluis in de Grevelingendam, bij de aansluiting op de Philipsdam, werd nu gebruikt om zout water vanuit de Oosterschelde het Grevelingenmeer in te pompen. Maar alleen water uit de Oosterschelde was niet genoeg om een goede platvis en kreeftenpopulatie terug te krijgen dus werden er andere plannen gesmede. Niet alleen de verzoeting van het meer was de oorzaak van het verdwijnen van allerlei planten en dieren maar ook het wegvallen van de getijden, die voor de afsluiting aanwezig waren, maakte dat veel  planten en dieren hier niet meer konden overleven. Er werd na lange tijd een besluit genomen om ook de sluis in de brouwersdam een korte tijd in het jaar open te zetten. Dit had direct een positieve uitwerking op de onderwater flora en fauna al had de commerciële visserij er nog geen baat bij. Maar voor de sportduiker werd het Grevelingenmeer met het jaar steeds interessanter. Er vestigde zich zelfs uitheemse soorten die in het Grevelingenmeer de perfecte leefomgeving hadden gevonden. Enkele jaren geleden werd er zelfs besloten om de sluis in de Brouwersdam alleen bij storm nog maar te sluiten, wat ook weer een zeer positieve invloed had op het onderwaterleven. Zelfs de kreeft was weer in grote getale te vinden maar wat voor duikend Nederland belangrijker was, is dat het zicht goed bleef en de thermocline nagenoeg verdween zodat er in dieper water ook weer leven was te vinden. Dit is tot op de dag van vandaag zo gebleven en hebben we een mooi duik gebied aan deze hele geschiedenis overgehouden. Er is veel verandert sinds de Grevelingen het Grevelingenmeer werd maar voor duikers die zich in de biologie van dit water verdiepen is hier genoeg te ontdekken en het is een perfecte opstap om met het stromend zout water kennis te maken.

 

De Oosterschelde

Na de afsluiting van het Grevelingenmeer was de Oosterschelde aan de beurt om afgesloten te worden. Na veel veranderingen in het originele deltaplan werd besloten om een dam te bouwen met schuifdeuren om zo een open verbinding met de Noordzee te behouden. In 1986 was de dam gereed en begon ook de Oosterschelde net als het Grevelingenmeer te veranderen al was het niet zo drastisch als in het Grevelingenmeer. De getijde bleven bestaan zodat het oude  estuarium geregeld vers water kreeg aangevoerd. Wel waren de stromingen minder sterk dan voorheen, waardoor veel schuurputten die door de stroming waren gevormd dicht slibde. Maar ook andere grote gedeelten van de bodem werden met een dikke sliblaag bedekt. Veel bodemdieren verstikte onder die dikke sliblaag die zich in een snel tempo vormde nu de stroming minder sterk was. Maar na enkele jaren begon de Oosterschelde een evenwicht te vinden. Er werd, omdat er een zwakkere stroming was, minder slib aangevoerd dus er kon ook minder neerslaan. Dit had weer gunstige omstandigheden tot gevolg voor de duiksport die er weer een mooi duikgebied bij kregen. Omdat de stroming minder sterk was werd de Oosterschelde voor meer duikers toegankelijk en ook het zicht was dusdanig verbetert zodat je tijdens de meeste duiken die je hier maakte een redelijk goed zicht kon aantreffen. Nu jaren na de afsluiting is er een redelijke balans ontstaan en zijn de omstandigheden voor duikend Nederland hier nagenoeg altijd goed om een leuke en mooie duik te maken. Wat de Oosterschelde vooral interessant maakt is de grote soortenrijkdom die dit water rijk is. En ook hier de vestiging van uitheemse soorten die hier een vaste verblijfplaats hebben gevonden. Ook is het zo dat er de laatste jaren steeds meer inheemse soorten worden ontdekt of herontdekt dit omdat de laatste jaren intensiever wordt gedoken dan voorheen. De Oosterschelde trekt zelfs duikers van ver over de grenzen aan die hier enkele duiken komen maken. De Oosterschelde wordt niet voor niets tot een van de mooiste en rijkste onderwatergebieden van Europa gerekend.

 

De Noordzee

Het gedeelte van de Noordzee waar wij als Nederlandse duikers onze duiken maken is eigenlijk ook gelijk het minst geschikte gedeelte om te duiken. Van naturen komen hier geen rotskusten en riffen voor net als in Noorwegen en Schotland maar moeten wij het doen met kunstmatige rotskusten zoals dijken en kustweringen en wrakken die als rif fungeren. Maar laat ons nu het geluk hebben dat er vele wrakken in dit gebied te vinden zijn die ook redelijk goed te beduiken zijn. De meeste wrakken liggen niet dieper dan 30 meter dus ze zijn door de meer gevorderde duiker goed te bezoeken. Deze wrakken zijn vaak oasis in een verder troosteloze zandvlakte die door vele, dikwijls grote, scholen vissen worden bezocht. Een nadeel is het zicht, dat hier zeer variabel is. Al naar gelang de tijd van het jaar kun je hier een zicht aantreffen variërend van 5 cm. tot 20 m., dus het kan zeer slecht gesteld zijn met de omstandigheden maar ook uitmuntend goed. Ook op de plaatsen waar het mogelijk is om van de kust af te duiken heb je met dezelfde omstandigheden te maken als op open zee. Alleen heb je hier wel altijd het zweefstof dat vanaf de rivieren vanuit de monding langs de kust trekt en met het stof dat in de branding wordt opgewerveld. Toch kun je langs de kust interessante duiken maken waarbij je dikwijls weer nieuwe dieren ontdekt.

 

De Waddenzee

 

Omdat er in de waddenzee bijna niet wordt gedoken zullen we er verder ook geen aandacht aan besteden.

 

Waar op te letten tijdens het duiken in zout water

 

Om een duik in het zoute water te maken is er niet veel meer nodig dan een brevetering een complete uitrusting, gezond verstand en een dosis enthousiasme. Maar toch zijn er nog een paar dingen waar je op moet letten als je een duik in zout water wilt gaan maken. Vooral het duiken vanaf de kant is aan regels gebonden maar er zijn nog genoeg vrijheden om plezier aan de duiksport te beleven. Zo is de duiksport ondergeschikt aan de scheepvaart en dan vooral de beroeps-scheepvaart. Dus bij havens en scheepvaartsluizen mag niet worden gedoken en ook als je vanaf de kant in de vaargeul gaat duiken is het verboden om vandaar uit een rechtstandige opstijging te maken. In Zeeland zijn er speciaal stekken (kavels) aangewezen die voor de duiksport zijn beschermt. Er mag hier niet met sleepnetten worden gevist dus het is relatief veilig om hier te duiken. Wel moet je altijd goed op de fuiken letten waar je eigenlijk niet bij mag komen. zorg er ook altijd voor dat je uit de buurt van mossel en oesterpercelen blijft om problemen met de vissers te voorkomen. Als je in stromend water gaat duiken moet je van tevoren je getijdentabel raadplegen om zo een goede planning voor je duik te kunnen maken. Zorg ook altijd dat je het kompas goed instelt om zo de kant weer te kunnen bereiken. Een heel ander iets is het parkeren van de auto, doe dat zo dat er altijd verkeer door kan. Denk hierbij ook aan de toegang naar de akkers die je altijd vrij moet laten. Ook is het zo dat je soms een afrastering door moet om het water te bereiken. Sluit altijd het hek weer als je het gepasseerd bent. Vaak is het zo dat er schapen op de dijken lopen en wanneer het hek niet wordt gesloten hebben ze de kans om te ontsnappen.

 

 

Het ontdekken van   de zoutwaterfauna

Als je een duik in zout water maakt zul je merken dat al de Phylum die in het zoete water voorkomen ook in het zoute water te vinden zijn. Zo zul je hier ook weer sponzen, neteldieren, geleedpotigen, ringwormen, weekdieren, mosdiertjes en chorda-dieren tegen komen maar ook ribkwallen, hoefijzerwormen en stekelhuidigen die in het zoete water ontbreken. Ook zul je merken dat de soortenrijkdom in zout water veel groter is dan in het zoete water, en dat overal waar je kijkt je een grote verscheidenheid aan leven aantreft. Bijna elk hard substraat is begroeid met organisme die dikwijls veel op plantjes lijken maar meestal dieren zijn. Overigens, ook in ons zoute water groeien de meeste planten (wieren) niet dieper dan ongeveer 8 meter, dus alles wat dieper groeit kan bijna met zekerheid tot de dieren worden gerekend. Om toch nog vergissingen te voorkomen is het beter en leuker om deze dieren gewoon aan hun kenmerken te herkennen, daarom zullen we ook in het zout water weer aandacht schenken aan de meest voorkomende of interessante dieren om ze zo beter te leren herkennen. Ook zal er aandacht worden geschonken in welk gebied bepaalde soorten voorkomen en waarom ze vaak alleen daar voorkomen. Ook hun levenswijze zullen we onder de loep nemen zodat we meer begrijpen van die dieren.

 

 Sponzen

 

 

Deze primitieve organisme kun je veelvuldig in het zoute water aantreffen. Ze zijn het best te omschrijven als een verzameling cellen in een geleiachtige massa die ondersteund wordt door een skelet van kalk- of kiezelnaalden, zeldzamer door hoornnaalden. Langs onze kust zul je echter alleen sponzen aantreffen met kalk of kiezelnaalden en dan vooral de soorten met kiezelnaalden. Anders dan in het zoete water zijn veel soorten in het zoute water wel met het blote oog van elkaar te onderscheiden, al moet je er dikwijls wel een geoefend oog voor hebben. Een ander verschil met het zoete water is dat er in het zoute water wel kalksponzen zijn te vinden. Twee soorten uit de Klasse kalksponzen zijn in de Nederlandse wateren zelfs veelvuldig te vinden. Het betreft hier de gewone zakspons en het witte buisjesspons . Beide soorten komen in al de wateren voor waar wij als duikers gebruik van maken al zul je de gewone zakspons wat minder in het Grevelingenmeer aantreffen. De gewone zakspons is vrij gemakkelijk te herkennen al wordt hij nog al eens verwisselt met bepaalde zakpijpen waar hij de vorm van heeft. Deze spons is vaasvormig, tot 5 cm. hoog, met aan het uiteinde de uitstroomopening die omzoomt is met een soort stijve haren. Dit zijn uitstekende kalknaaldjes waaruit ook de rest van het skelet mee is opgebouwd. De kleur van deze spons loopt uiteen van wit tot beige en het “huidoppervlak” ziet er zacht behaard uit. De gewone zakspons is vaak in kleine groepjes van zo’n 10 individuen in het intergetijdengebied tot ongeveer 10 meter diepte te vinden. Vaak groeit de gewone zakspons op rotsen en stenen maar ook op wieren en schelpen. Leidt een vaak verscholen leven tussen andere organisme en wordt daardoor vaak over het hoofd gezien. Het witte buisjesspons vormt een dun overtrek over een hard oppervlak waaruit half doorschijnende buisjes opsteken tot zo’n 1,5 cm. hoog. De buisjes zijn sterk vertakt en vormen verbindingen met elkaar. De kleur is wit en de “huid” voelt korrelig aan. Net als de voorgaande soort leidt het witte buisjesspons een terug getrokken leven en is op allerlei soorten harde ondergrond te vinden, maar ook op wieren en in holtes. In onze Nederlandse zoute wateren kunnen we ten minsten 8 soorten uit de groep van de kiezelsponzen aantreffen. Sommige daarvan zijn zeldzaam en dikwijls zelfs alleen in de Zeeuwse wateren te vinden, de korstspons is er daar één van. Zoals de naam al zegt vormt deze spons een dunne korst over een harde ondergrond die in kleur kan uitlopen van grijs tot bruin of geeloranje. Als je deze spons van dichtbij bekijkt vallen de vele poriën gelijk op die deze spons het bekende sponzenuiterlijk geven. De korstspons is waarschijnlijk door menselijke toedracht hier uit zuidelijke streken terecht gekomen en wordt pas sinds 1953 in Nederland aangetroffen. Een andere soort, de paarse buisjesspons, die net als de korstspons hier waarschijnlijk door menselijke toedracht terecht is gekomen, wordt sinds 1977 in de Zeeuwse wateren gevonden en dan vooral in het Grevelingenmeer. De paarse buisjesspons is te herkennen aan de paarsrode tot bruine buisjes die zo’n 15 cm. hoog kunnen worden, en die samen groeien tot plakkaten van ongeveer 20 cm. doorsnee. Aan het uiteinde van de zeer breekbare buisjes is de uitstroomopening te vinden. Ook de boorspons die een meer verborgen leven lijdt is veelvuldig in Zeeland te vinden. Alleen zul je van de boorspons niet meer zien dan de uitstroomopening en als je goed kijkt misschien de instroomopening. In dieper water kan deze spons echter wel een overtrek vormen over een harde ondergrond maar op de plaatsen waar wij duiken leeft hij ingegraven in zacht gesteente zoals kalksteen maar ook in het schelpmateriaal van oesters. Een zeer zeldzame soort is de Hymeniacidon perlevis die tot nu toe alleen in de Oosterschelde is aangetroffen. Deze soort is zo zeldzaam dat er zelfs nog geen Nederlandse naam voor deze spons is bedacht. De Hymeniacidon perlevis heeft een verfrommeld uiterlijk met maar een paar moeilijk zichtbare uitstroomopeningen. De Kleur is meestal roodoranje met individuen die neigen naar een gele of oranje kleur. De oranje korstspons wordt langs de gehele kust gevonden al is hij in de Noord en de Waddenzee niet echt algemeen. Wel wordt hij veelvuldig in de Zeeuwse wateren aangetroffen. De oranje korstspons vormt een dun laagje over een hard substraat maar voelt stevig en glad aan. De kleur is opvallend helder geel of geeloranje. Tot de meer algemene soorten die we tegen kunnen komen behoort de sliertige broodspons. Maar omdat deze spons een verscheidenheid aan vormen kan aannemen is hij vrij moeilijk te herkennen als sliertige broodspons. Meestal wordt er een dunne overtrek gevormd met daaruit opstekend buisjes of een soort richels, maar ook dikke korsten van 25 cm. dik en een meter in doorsnee zijn mogelijk. Het materiaal waaruit de sliertige broodspons is opgebouwd is zacht en soepel en breekt niet snel af, de kleur van de spons varieert van geelwit tot geelbruin. Één van de meest voorkomende sponzen is de gewone broodspons die ook veelvuldig op wrakken op de Noordzee wordt gevonden. Deze spons heeft een gevarieerd uiterlijk en is daarom meestal moeilijk te herkennen. Iets om op te letten om de gewone broodspons te herkennen is te kijken naar de uitstroomopeningen die altijd op ophogingen in het weefsel te vinden zijn. De gewone broodspons vormt een korst waar al dan niet lobben op worden gevormd. Bij de gelobde individuen zijn de uitstroomopeningen boven op de top van de lobben te vinden. Ook de kleur is zeer variabel mede omdat ook deze spons net als de zoetwatersponzen in een symbiose leven met zoöxantellen. Dus de gewone broodsponzen die dicht bij het oppervlak zijn te vinden kunnen groen van kleur zijn maar de dieper levende sponzen zijn grijs, geel tot oranjebruin gekleurd. Ook het weefselmateriaal van de gewone broodspons is flexibel maar zal sneller afbreken als dat van de sliertige broodspons. Nog een zeer algemene soort is de geweispons die je veelvuldig in de Zeeuwse wateren tegen komt. Tevens is dit ook de meest herkenbare soort voor ons duikers. De geweispons lijkt op een stuik met te dikke takken. Soms zijn deze takken zo geplaatst dat ze een waaier vormen die loodrecht op de stroming staat. Op deze takken zijn de uitstroomopeningen in een rij te vinden. De Kleur is meestal geelbruin tot grijsbruin maar ook varianten die groen rood of paarsachtig zijn kunnen worden waargenomen. Al lijkt de geweispons nog al kwetsbaar toch is hij zeer flexibel en breek niet snel af.

 

Net als in het zoete water zijn de sponzen in het zoute water filteraars. En net als de zoetwatersponzen passen de sponzen in zee zich aan naar de omstandigheden. Zo zal een geweispons in het Grevelingenmeer ronde takken hebben en die in de Oosterschelde afgeplatte. Doordat er in de Oosterschelde stroming aanwezig is zijn de vertakkingen afgeplat om zo meer van het oppervlak gebruik te kunnen maken om voedsel op te nemen. Sponzen zijn overal te vinden waar maar een enigszins harde ondergrond aanwezig is, zo ook op de meest gangbare stekken waar wij als duikers gebruik van maken. Tijdens een duik op één van die stekken zul je honderden sponzen passeren maar meestal vallen ze niet op. Dit komt dikwijls door het verscholen leven dat veel sponzensoorten leiden maar ook doordat ze dikwijl overwoekerd worden door anderen organisme. Maar over het algemeen geldt dat elk hard substraat dat in zout water te vinden is wel met een sponzensoort is bedekt. Sommige soorten groeien zelfs op wieren en dan vooral de bladeren van de grotere wiersoorten die Nederland rijk is zoals het suikerwier.

 

 

 

Neteldieren

 

 

Daar je in het zoete water alleen hydroïdpoliepen  kunt vinden kun je in het zoute water ook schijfkwallen en bloemdieren aantreffen. Tot die bloemdieren behoren de octokoralen (met o.a. de gorgonen en de zachte koralen) en de hexakoralen (met o.a. de steenkoralen en de zeeanemonen). Nu zullen de meeste denken koralen in Nederland? Toch is er één soort die veelvuldig in onze wateren voorkomt. Het is geen rifbouwend steenkoraal zoals we dat kennen uit de tropen, maar een zacht koraal. Dodemansduim is de naam van dit koraal en die naam dankt het aan de vorm die dit koraal meestal aanneemt. Met een beetje fantasie lijkt de dodemansduim op een opgezwollen vinger of duim van een drenkeling. Wanneer het koraal actief is zijn de witte of oranje poliepen goed te zien en van een afstandje geven ze de dodemansduim een pluizig uiterlijk. De poliepen zijn net kleine anemoontjes die kleine prooien uit het plankton vangen met hun acht tentakels. De dodemansduim wordt in onze streken meestal niet hoger dan 10 cm. maar hij kan een hoogte van ruim 20 cm. bereiken. Dodemansduim zul je meestal in sterk stromend water tegen komen zoals de Oosterscheldemonding en de wrakken op de Noordzee. Van de ook bij de bloemdieren behorende zeeanemonen komen er meerdere soorten voor aan onze kust. Meestal vallen ze goed op door hun dikwijls felle kleuren en hun bloemachtig uiterlijk. Vroeger werden deze dieren dan ook tot de planten gerekend. Inmiddels weten we dat deze organisme dieren zijn en tot de neteldieren behoren. De grootste en meest opvallende zeeanemoon die we aan onze kust kunnen tegen komen is de zeeanjelier. Deze tot 40 cm. hoog wordende anemoon heeft wel wat weg van een plumeau en is in de kleuren wit, oranje en oranjebruin te vinden. De zeeanjelier is bij voorkeur in stevig stromend water te vinden maar komt ook op plaatsen voor waar nagenoeg geen stroming staat. Één van de meest voorkomende soorten is de golfbrekeranemoon, ook wel baksteenanemoon genoemd, die direct opvalt door zijn meestal oranjerode kleur en omdat hij dikwijls in grote groepen samenleeft. Soms kun je er wel 3000 op een m². aantreffen. Het golfbrekeranemoontje heeft ongeveer 200 tentakels die soms met witte ringen zijn getooid. Dikwijls worden jonge zeeanjelieren voor golfbrekeranemoontjes aangezien maar zeeanjelieren hebben 3 lobben rond de mond waar de tentakels op zijn te vinden en bij golfbrekeranemoontjes staan de tentakels gewoon rond de mond gerangschikt. Golfbrekeranemoontjes zijn op veel verschillende soorten ondergrond te vinden zoals stenen en schelpen en andere harde ondergrond maar ook in slib maar nooit op zand. De zuil van het golfbrekeranemoontje is glad en zo’n 5 cm. hoog en een doorsnee van 1,5 cm.. Van de zuil van de slibanemoon is weinig te zien al is hij 10 cm. lang. Deze anemoonsoort leef ingegraven in zand, slib en zelfs schelpengruis en is langs de Nederlandse kust vrij algemeen. Net als het baksteenanemoontje heeft de slibanemoon ook ongeveer 200 tentakels maar die staan op een veel bredere mondschijf. Die mondschijf en tentakels kunnen zeer variëren in kleur. Bijna alle kleuren zijn mogelijk maar nooit rood. Ook zijn er dikwijls banden op de mondschijf en de tentakels te vinden. Langs de Nederlandse kust komen nog twee soorten uit het geslacht van de slibanemonen voor dit zijn de kleine en sierlijke slibanemoon. Maar omdat deze veel zeldzamer zijn en sterk op de slibanemoon lijken zullen we ze gewoon onder dezelfde naam plaatsen. Nog een vrij algemene soort is de weduweroos die in grote getale in het Grevelingenmeer is te vinden. Het is een goed herkenbare anemoon met een hoge zuil van ongeveer 10 cm. lengte die maar voor een klein gedeelte is ingegraven. Al is de weduweroos dikwijls op zand en slibbodems te vinden is de voet altijd aan een hard voorwerp gehecht zoals een steentje of een schelp. De zuil is beige-bruin tot zandgeel waar dikwijls lengtestrepen op zijn te vinden. De mondschijf en de ongeveer 200 tentakels zijn doorschijnend  wit en op de tentakels is een duidelijke lichte lengtestreep te zien. De weduweroos is meestal in rustig stromend water te vinden maar ook op plaatsen waar het stevig stroomt komt hij voor al is het dan wel dikwijls zo dat ze op een beschutte plaats staan. Anders is dit bij de zeedahlia één van de grootste anemonen die langs onze kust zijn te vinden. De zuil die meer dan 10 cm. in doorsnee kan zijn is meestal dikker dan lang. Het is een zeldzame verschijning die alleen in sterk stromend water is te vinden. In zeeland wordt de zeedahlia in de monding van de Oosterschelde aangetroffen maar ontbreekt verder in bijna alle andere Zeeuwse wateren. De zeedahlia is ook één van de mooiste anemonen die hier voorkomen met zijn ongeveer 160 korte stompe tentakels die zowat alle kleuren kunnen hebben, dikwijls ook nog gebandeerd. Vaak ook bruine, groene of rode strepen vanaf de mond, die op een verhoging ligt, naar buiten lopend. Nog een anemoon die graag in de monding van de Oosterschelde zijn leven slijt is de paardenanemoon. Maar deze soort komt ook verder landinwaarts voor tot voorbij de zeelandbrug. Het is een mooi anemoontje met een zuil van zo’n 4 cm. hoog en breed. Er staan ongeveer 190 tentakels die maar 2 tot 3 cm. lang zijn rond de mond. Net onder de tentakels op de zuil zitten 24 blauwe blaasjes die vaak moeilijk zichtbaar zijn. Die blaasjes zijn netelkapsels die voor de verdediging gebruikt worden en komen verder alleen bij de zeedahlia voor. De kleur van de paardenanemoon is meestal egaal rood of groen maar ook oranje, bruine en paarse individuen kunnen worden gevonden. Al komt de paardenanemoon toch op redelijk wat stekken voor worden ze door de meeste duikers over het hoofd gezien. Dit komt omdat de paardenanemoon alleen boven de laagwaterlijn voorkomt en zo dus alleen met hoog water in open toestand is te bewonderen. Met laag water zijn de paardenanemonen als hompjes gelei van 3 cm. hoog op en tussen de droog gevallen stenen te vinden.  Een anemoontje dat dan wel en dan weer niet in Nederland voorkomt is de groene golfbrekeranemoon. Dit kleine anemoontje van maar 1,5 cm. hoog is vuil wit tot groen van kleur met soms verticale oranje strepen op de zuil. Net als de paardenanemoon leeft de groene golfbrekeranemoon tot hoog boven de laagwaterzone maar meestal wel in poeltjes zodat ze vochtig blijven. Dikwijls leven ze in grote groepen bijeen vastgehecht op een harde ondergrond, toch worden ze maar zelden waargenomen. De enige Nederlandse anemoon die een woonbuis maakt is de viltkokeranemoon. Deze anemoon wordt op slib en soms op zandbodems gevonden waarin de viltachtige koker ingegraven ligt. De viltkokeranemoon is goed te herkennen aan zijn twee ringen tentakels waarvan de buitenste ring de langste tentakels heeft. Deze ongeveer 70 tentakels worden zo’n 5 cm. lang en liggen meestal vlak op de bodem. De binnenste tentakels zijn korter en staan recht omhoog. De kleur van de zuil is lichtbruin, maar deze wordt zelden gezien omdat meestal alleen de mondschijf boven de bodem uitsteekt. De tentakels zijn zeer variabel van kleur van doorzichtig wit tot donkerbruin maar ook rode paarse gele en groene exemplaren kunnen worden gevonden en dit vaak vlak bij elkaar. Op sommige plaatsen langs de kust kan de viltkokeranemoon veelvuldig voorkomen maar ontbreekt in het oostelijke gedeelte van het Grevelingenmeer. Anders dan in het zoete water komen er in het zoute water minstens 6 soorten schijfkwallen voor. Het zijn wel geen dagelijkse verschijningen maar ze worden regelmatig gezien. Dit komt grotendeels door de stromingen waar de schijfkwallen op mee drijven. Als er een westen wind staat zullen de schijfkwallen met de stromingen die door de wind ontstaan naar onze kust worden gevoerd, wat voor de baders de wel bekende kwallenplaag veroorzaakt. Meestal gaat het om de oorkwal die ook door duikers het meest gezien wordt. De oorkwal is gemakkelijk te herkennen aan de vier ringen die in de doorzichtige hoed te zien zijn. Dit zijn de geslachtorganen die bij mannelijke individuen geel en bij vrouwelijke roze gekleurd zijn. Interessant aan deze soort is dat ook de poliepen dikwijls gezien worden en dan vooral in het Grevelingenmeer. De poliepen zijn het tweede stadium in de levenscyclus van sommige kwallen. Na de bevruchting vormt zich een planula-larve die zich op een harde ondergrond vestigt en veranderd in een poliep. Na verloop van tijd vormen zich schoteltjes op de poliep die afsnoeren als kleine kwalletjes. Wil je dit proces gade slaan dan heb je flink wat geduld en geluk nodig ook al is er zat de mogelijkheid voor. Poliepen van de oorkwal vindt je aan de onderzijde van stenen in holen. Vaak staan ze in veldjes van enkele honderden poliepen bijeen en vormen zo pluizige witte matjes. Nog een kwal die tamelijk veel wordt gezien is de kompaskwal. Deze kwal met zijn onmiskenbare tekening van een kompasroos op de hoed is goed te herkennen. Alleen jonge dieren missen die tekening en hebben een bruinpaarse rand om de verder witte hoed lopen. De kompaskwal komt vooral in de zomermaanden langs onze kusten voor maar is zeldzaam in het Grevelingenmeer. De zeepaddestoel, een grote witblauw gekleurde kwal, is ook een algemene bezoeker van onze kust en dan vooral in het najaar. De zeepaddestoel mist de neteldraden die de andere kwallen wel hebben. Wel zijn er acht mondlobben te zien onder de hoed die bij elkaar op een bloemkool lijken. Vandaar dat de andere veel gebruikte naam voor deze kwal bloemkoolkwal is. Met deze lobben vangt de zeepaddestoel zijn prooien door ze te netelen. De zeepaddestoel is één van de soorten die ons met de mondlobben kan netelen maar dit is niet pijnlijk, hooguit een klein beetje irriterend. Wel pijnlijk netelend zijn de twee soorten haarkwallen die aan onze kust voorkomen. Dit zijn de blauwe en de gele haarkwal. De blauwe haarkwal wordt het meest gezien en dan dikwijls in grote aantallen. Netelen doen ze beide maar de Gele haarkwal is echt berucht om zijn netels. De gele haarkwal is de grootste kwal ter wereld met een hoeddoorsnee van meer dan 250 cm. en een gewicht van meer dan een ton. De gele haarkwallen die echter aan onze kusten verschijnen zijn veel kleiner dan die reuzen uit de noordelijke wateren. Een doorsnee van 50 cm. is aan onze kust al een reus en voor de blauwe haarkwal is 30 cm. echt het maximum. De op de schijfkwallen gelijkende kruiskwal is in feite de hydromeduse van een hydroïdpoliep. En al is hij klein kan deze hydromeduse gemeen netelen, en voor mensen die een allergie hebben zelfs levensbedreigend zijn. De kruiskwal heeft een hoed van maar 3 cm. in doorsnee. Op de hoed is duidelijk het kruis te zien waaraan deze soort zijn naam dankt. Na het verdwijnen van het zeegras in het Grevelingenmeer is de kruiskwal daar ook nagenoeg verdwenen . Nu wordt hij nog wel eens in de Oosterschelde aangetroffen, maar dit zijn zeldzaamheden. Een andere hydromeduse die je langs onze kust tegen kunt komen is het lampekapje. Deze soort is veel groter dan het kruiskwalletje en kan wel een diameter van zo´n 20 cm. bereiken. De tentakels die net als bij het kruiskwalletje aan de rand van de hoed zijn te vinden kunnen een lengte van ongeveer de diameter van de hoed bereiken, maar meestal zijn ze korter. Van een heel ander formaat zijn de hydroïdpoliepen die veelvuldig in de zeeën voorkomen. Om nu al de hydroïdpoliepen door te nemen die in onze wateren voorkomen zou te veel tijd in beslag nemen. Kort gezegd lijken de meeste hydroïdkolonies op kleine dunne struikjes of veren van gemiddeld 5 cm. hoog. De bekendste soorten met zo’n uiterlijk zijn wel de zeecypres de lange zeedraad en de haringgraat. Maar ook de ruwe zeerasp die in plakkaten over harde substraten groeit behoort tot de hydroïdpoliepen. Vaak is de ruwe zeerasp op schelpen te vinden die door een heremietkreeft gebruik worden als woning. Als de poliepen uitstaan krijgt het oppervlak een pluizig uiterlijk. De bekendste hydroïdpoliepen langs onze kust zijn de penneschaft en de gorgelpijp. Deze twee hydroïdpoliepen lijken veel op elkaar en houden er ook eenzelfde levenswijze op na. Beide hebben ze lange stelen met daarboven op een tentakelkrans. In het voorjaar kun je de voortplantingcellen zien zitten in het midden van de tentakelkrans. Bij de gorgelpijp zijn deze rood en bij de penneschaft wit. Een ander verschil is dat de gorgelpijp vertakte stelen heeft en de penneschaft niet.

 

Anemonen komen in grote aantallen voor langs onze Nederlandse kust en worden elke duik wel gezien. Om naar specifieke soorten te gaan zoeken hoef je alleen maar te achterhalen waar ze te vinden zijn. Meestal worden ze dan ook wel gevonden enerzijds omdat anemonen, als ze zich al verplaatsen, maar kleine afstanden afleggen. Ze zijn dus meestal in het zelfde gebied terug te vinden en anderzijds omdat de meeste soorten aan ongeslachtelijke voortplanting doen. Zo zullen er dikwijls zuster-anemonen bij elkaar in groepjes staan. Om kwallen tegen te komen heb je gewoon geluk nodig. Maar ook kennis van de verschillende soorten is nodig om te weten te komen wanneer de beste trefkans voor een desbetreffende kwal aanwezig is. Hydrocifieke soort wil zoeken zul je eerst moeten kijken waar en in wat voor omstandigheden deze voorkokunnen achterhalen dan kun je een duik maken op een stek die aan de beschrijving voldoet. Meestal hoef je dan ook niet lang te zoeken om de beoogde hydroïdpoliepen vinden.

 

 

Ribkwallen

 

 

Anders dan gewone kwallen die zich doormiddel van ritmische pulsen van de hoed voort bewegen doen ribkwallen dit doormiddel van ciliënplaatjes. Deze ciliënplaatjes zijn in acht rijen over de lengte van het lichaam van de ribkwal verdeelt. Dikwijls is de vorm van een ribkwal kogelrond of ovaal maar ook andere vormen komen voor. In Nederland komen twee soorten veelvuldig voor, dit zijn het meloenkwalletje en de zeedruif. Het meest voorkomend is de Zeedruif die je een heel jaar door kunt aantreffen. De zeedruif is gemakkelijk te herkennen aan zijn ronde 2 cm. grote lichaam met twee lange tentakels die aan de bovenzijde uit het lichaam komen. Met deze tentakels vangt hij planktondeeltjes uit het water op om ze vervolgens in te trekken en ze naar de mond te brengen. Het meloenkwalletje is een echte jager die op de zeedruif jacht maakt. Als een meloenkwalletje een zeedruif buit heeft gemaakt kun je de zeedruif nog gewoon in het doorzichtige lichaam van het meloenkwalletje zien zitten. Hij schuift de zeedruif in zijn geheel door de grote mondopening zijn ovaalvormige lijf binnen. Beide soorten kun je een geheel jaar door aantreffen maar vooral in het vroege voorjaar zijn er ontelbare ribkwalletjes te vinden. Deze kleine diertjes zijn bij veel duikers populair omdat wanneer je met je lamp op hun lichaam schijnt hun ciliënplaatjes allerlei iriserende kleuren laten zien. Dit is vooral tijdens een nachtduik een mooi schouwspel om een keer te aanschouwen.

 

In onze kustwateren komen meerdere soorten ribkwallen voor maar alleen het meloenkwalletje en de zeedruif zijn algemeen. De andere soorten die je tegen kunt komen zijn normaal gesproken zeldzaam maar kunnen invasiegewijs in grote aantallen voorkomen. Kom je een onbekend dier tegen dat wel op een ribkwal lijkt maar waarvan je niet weet of het er ook één is. Kijk dan of je de 8 rijen zwemplaatjes kunt vinden en je weet zeker dat het een ribkwal is.

 

 

Ringwormen

 

 

Tekstvak: Pauwkokerworm
Tussen stenen en ingegraven in de bodem lijden de meeste van de in Nederland in zee levende borstelwormen uit het Phylum van de ringwormen een verborgen leven. Maar toch zijn er ook enkele soorten waarvan je hun aanwezigheid duidelijk kunt zien. Zo zijn de kokers van kokerwormen meestal goed zichtbaar ook al zijn ze van sommige soorten vrij klein. De koker van de opvallende pauwkokerworm daarentegen kan wel 40 cm. lang worden met een doorsnee van 1 cm.. Vaak steekt hij meer dan de helft boven het zand uit waarop dit dier meestal voorkomt. De pauwkokerworm zelf laat echter maar weinig van zich zelf zien. Alleen de tentakelkrans steekt regelmatig uit de koker om zuurstof op te nemen en voedsel te vergaren. Maar bij het minste of geringste onraad trekt de pauwkokerworm deze weer snel terug in zijn koker. De tentakelkrans bestaat uit een cirkel van enkele tientallen tentakels met een franje van fijne vertakkingen en is op de kop van de pauwkokerworm te vinden. De kleur van de tentakelkrans is meestal wit met bruine tot bruinrode banden maar ook bijna geheel bruinrode exemplaren kunnen worden gevonden. De pauwkokerworm heeft een lang lichaam dat wel 600 segmenten kan bedragen. Veel kleiner is de driekantige kalkkokerworm met maar hooguit 100 segmenten. Deze worm van nog geen 3 cm. groot wordt in onze wateren veelvuldig aangetroffen maar dikwijls over het hoofd gezien. Op een harde ondergrond zoals stenen en hout bouwt de driekantige kalkkokerworm een koker van zo’n 10 cm. lengte die aan het uiteinde steeds dunner wordt. De koker is opvallend driehoekig in doorsnee en het is dan ook hieraan waaraan deze soort zijn naam dankt. De driekantige kalkkokerworm heeft een karakteristieke dubbele tentakelkrans die de kleuren rood, bruin en zelfs blauw kan hebben. Nog een kokerworm die we veelvuldig in onze kustwateren kunnen aantreffen is de schelpkokerworm. Anders dan bij de twee voorgaande soorten heeft deze soort echter geen tentakelkrans. In plaats daar van heeft deze worm een aantal lange tentakels waarmee hij de bodem aftast naar voedsel. Vaak zie je die tentakels op de bodem liggen met in het centrum daarvan een gat in de bodem. Dit is de koker waar de schelpkokerworm in leeft maar die koker kan ook anders gevormd zijn. In stevig stromend water is het meestal zo dat de koker een eindje boven de bodem uitsteekt, met daar boven op een netwerk van takjes die de worm maakt van zandkorrels. Deze takjes dat eigenlijk gootjes zijn gebruikt de schelpkokerworm om voedseldeeltjes mee te vangen. In die gootje zijn de tentakels te vinden die bij de individuen die in langzaam stomend water leven op de bodem liggen. Maar ook hier is als je goed kijkt een netwerk van gootjes te vinden dat nu alleen plat op de bodem is aangelegd. Met deze zijn er nog een paar soorten ringwormen te vinden die een koker bouwen maar die zijn of zeer zeldzaam of niet echt interessant om er aandacht aan te besteden. Anders is dat bij enkele vrij levende borstelwormen die een zeer actief leven lijden. Hoewel ze zelden worden gezien komen er toch een paar soorten voor die wel een vermelding waard zijn. De zeepier is wel de bekendste onder de ringwormen die aan onze kust voorkomen. Sportvissers gebruiken hem graag als aas, maar ook de zandhoopjes die als worstjes op de droog gevallen zandbanken en stranden worden gevonden zijn algemeen bekent. Dit zijn de uitwerpselen van een zeepier die zand eten en er de voedseldeeltjes uithalen en het zand dan aan de achterkant weer uitscheiden. Door duikers wordt de zeepier zelden of nooit gezien maar je kunt geluk hebben dat er één aan het oppervlak van de bodem is te vinden. De zeepier heeft een dik voorstuk van 6 segmenten met borstels gevolgd door 13 segmenten met zowel borstels als twee stuks kieuwen per segment. De lengte kan ongeveer 20 cm. bedragen en de kleur is bij jonge dieren roze en naarmate ze ouder worden veranderend in groengeel. De zager ook een bekende onder de sportvissers houdt er een geheel andere leefwijze op na dan de zeepier. Het is een actieve jager die onder meer op ander wormen jaagt. De zager heeft anders dan de zeepier die blind is wel ogen. Ook zijn de grote gezaagde kaken goed te zien en kan hij een lengte bereiken van wel 40 cm.. Op de tot 175 segmenten zijn in de zij borstels te zien en de kleur van de segmenten is donkergroen met een paarsblauwe weerschijn. De zager is een goede zwemmer waarbij hij zijn parapodiën gebruikt. Deze pedelvormige parapodiën zijn groen gekleurd met gele punten. Zwemmen doet de zager vooral in het voorjaar en dit heeft naar alle waarschijnlijkheid met de voortplanting te maken. Maar over het algemeen zul je hem rondkruipend op de bodem tegen komen, als hij zich al laat zien. Ook de geschubde zeerups kun je kruipend over de bodem tegen komen maar ook hier geldt weer dat ze zelden gezien worden al zijn ze zeker niet zeldzaam. Maar net als de meeste wormen leidt de geschubde zeerups een verborgen leven maar laat zich soms tussen het bodemmateriaal verassen. De geschubde zeerups is een worm met 12 paar fors overlappende rugschilden waarop hoornachtige bobbeltjes zijn te vinden. De kleur is meestal vuilwit of grijsachtig maar kan nogal variabel zijn. Een veel gelijkende soort is de gladschubbige zeerups die anders dan de geschubde zeerups 15 paar grote rugschilden heeft en waarvan de pootjes duidelijk onder het pantser vandaan steken. De kleur van de gladschubbige zeerups is donkergroen, grijsblauw, bruin tot bruinpaars met een metaalglans. Heel af en toe worden er zelfs roodachtige exemplaren gevonden maar die zijn zeldzaam. Andere soorten actieve wormen komen in onze kust streken wel voor maar leven een zo verborgen leven of zijn zeer zeldzaam dat we net als bij de kokerwormen ook aan die dieren geen aandacht schenken.

 

Om vrij zwemmende of kruipende ringwormen te zien te krijgen kun je het beste een nachtduik maken omdat dan deze dieren het actiefst zijn. Vaak zwemmen ze dan rond met kronkelende lichamen, of ze kruipen tussen het materiaal dat op de bodem is te vinden.Kokerwormen zijn net als de actief levende ringwormen langs onze hele kust te vinden. Wel is het zo dat elke soort zijn eigen leefmilieu verkiest zodat je sommige soorten maar op beperkte plaatsen tegen zult komen. zoek eerst uit waar een bepaalde soort voorkomt alvorens een duik te maken. 

 

Zeespinnen

 

 

De zeespinnen vormen een kleine Klasse in het Phylum geleedpotigen maar worden in alle oceanen en zeeën gevonden. Zo worden er langs onze kust ook enkele soorten aangetroffen maar deze worden zelden of nooit gezien. Grotendeels ligt dit aan het geringe grote van de zeespinnen die hier voorkomen maar ook omdat ze een verborgen leven lijden. De meeste kans is er om de rode zeespin tegen te komen die meestal op hydroïdpoliepen en sponzen is te vinden waarmee hij zich waarschijnlijk voedt. Vooral in de Oosterschelde blijkt dit diertje zich goed thuis te voelen maar ook langs de rest van de kust komt hij veelvuldig voor. Dit fragiele beestje heeft een lichaam van maar 0,5 cm. en net als alle zeespinnen 4 paar poten die bij de rode zeespin 2 cm. lang zijn en zeer dun. Het lichaam bestaat uit 3 lichaamsegmenten met de een smal kopschouderstuk en de kleur is doorschijnend rood of roodbruin. Nog een zeespin die je tegen kunt komen is het michelinmannetje, een gedrongen soort die onder stenen en wieren tot zo’n 10 meter diepte voorkomt. Het michelinmannetje kan 2 cm. groot worden en heeft 4 paar sterk gelede poten die net zo dik zijn als het lichaam. Beide geslachten van het michelinmannetje zijn grijsbruin van kleur maar het vrouwtje is lichter van kleur en is ook iets groter. Op het menu van michelinmannetjes staan anemonen en dan vooral de zeeanjelier. Met hun slurfachtige monddelen steken ze de anemoon en zuigen zo zijn weefsel op. Soms kun je mannetjes tegenkomen met een eipakketje dat ze aan een stel speciaal aangepaste poten met zich mee dragen. Ook bij de andere soorten die je tegen kunt komen zal het mannetje de broedzorg op zich nemen en de eieren met zich meedragen.

 

Om zeespinnen te vinden moet je goed zoeken omdat ze zo klein zijn en meestal goed gecamoufleerd. Kijk goed op sponzen, hydroïdpoliepen en anemonen waarvan deze dieren leven maar ook tussen wieren waartussen ze dikwijls verstopt zitten. Om het michelinmannetje te zien moet je in de getijdenzone een paar stenen omdraaien waar ze meestal wel onder te vinden zijn. Leg de stenen wel hetzelfde terug omdat ze meestal ook een leefgebied voor andere organisme zijn 

 

Kreeftachtige

 

 

Naast de bekende Infraorde van de garnalen, kreeften en krabben komen in deze Subphylum van de kreeftachtigen enkele andere groepen voor. Maar ook nu weer zullen we ons alleen met de soorten bezig houden die hier veelvuldig voorkomen en/of die een interessante levensstijl hebben. Zo zijn er 6 groepen uit deze Subphylum te vinden langs onze kust die allemaal interessant voor ons duikers zijn. Allereerst de Infraklasse  van de Rankpootkreeften, waartoe de zeepokken en de krabbezakjes toe behoren, met een lichaam dat extreem afwijkt van de rest van de kreeftachtige zodat ze dikwijls niet als kreeftachtige herkent worden. Zeepokken lijden voor een groot deel van hun leven een vastzittend bestaan. Alleen als larve beweegt de zeepok zich vrij door het water, maar na zich ergens gevestigd te hebben is hij dan ook gebonden aan die plek. De larve hecht zich met zijn kop aan een harde ondergrond en vormt een kalkhuisje. Aan dit kalkhuisje, dat bestaat uit een aantal platen, zijn de in Nederland voorkomende zeepokken goed te herkennen. Zo heeft de Nieuw-Zeelandse zeepok een huisje met 4 kalkplaten plus 2 afdekplaten. De gewone zeepok heeft daarentegen 6 kalkplaatjes die geribbeld kunnen zijn en ook 2 afdekplaten. Deze twee en ook de zeldzame brakwaterpok zijn symmetrisch gebouwd anders is dit bij de ritspok die een asymmetrisch bouwplan heeft. Ze hebben 4 kalkplaten en 2 gewone en 2 aangepaste afdekplaten. Het lijkt alsof de 4 afdekplaten één grote afdekplaat vormen. De ribbels die op de kalkplaten van de ritspok te vinden zijn grijpen in elkaar op het punt waar de platen samenkomen waardoor een ritsmotief ontstaat. Om voedsel te vergaren steken de zeepokken hun poten in een waaier tussen de dekplaten naar buiten. De poten zijn bezet met een soort haartjes die zo een vangnet vormen. Zeepokken zijn veelvuldig in het inter-getijden gebied te vinden maar ook op diepere plaatsen worden ze aangetroffen. Meestal zijn ze in grote kolonies op stenen of ander hard materiaal te vinden. Omdat ze klein zijn, ongeveer een centimeter, moet je goed kijken om de vangpootjes te zien die bijna onophoudelijk in het water lepelen om plankton te vangen. Een aardig iets is om te weten dat dit beestje in verhouding het grootste mannelijke geslachtorgaan heeft van alle levende wezens. De penis van zeepokken die overigens tweeslachtig zijn kan meer dan 5 keer de eigen lichaamlengte bedragen. Net als bij de zeepokken verankeren de soorten uit de Superorde van de krabbezakjes zich na een larve stadium op een harde ondergrond. Bij de krabbezakjes doen dit echter alleen de vrouwelijke larven en ze gebruiken andere kreeftachtige als ondergrond. Het in Nederland voorkomende  krabbezakje wordt veelal op de gewone strandkrab en zwemkrab aangetroffen maar ook andere soorten kunnen besmet zijn. Het krabbezakje is zichtbaar onder het staartstuk van de krabben als een gladde vuilwitte tot bruine bol. Dit is ook de plaats waar krabben hun eieren met zich meedragen maar die zijn korrelig van structuur. Het zijn overigens alleen de geslachtorganen van het krabbezakje die je ziet. De rest van het lichaam eet zich een weg naar binnen bij de krab. Mannetjes zul je zelden of nooit aantreffen daar ze alleen maar voor de voortplanting dienen en na de daad die ze nog als larve bij de al parasitair levende vrouwtjes verrichten sterven. De Orde van de aasgarnalen is met tientallen soorten goed vertegenwoordigd langs de Nederlandse kust. Een vervelend iets is echter dat de soorten bijna niet te onderscheiden zijn. Daardoor zullen we de aasgarnalen als groep bekijken, ook al omdat ze er toch allemaal een zelfde levensstijl op na houden. Anders dan de naam zou doen denken voeden de aasgarnalen zich met plankton en dit doen ze meestal in grote zwermen. Vooral in het Grevelingenmeer kun je deze zwermen aasgarnalen tegen komen, en dan vooral het geknikte aasgarnaaltje, maar ook langs de rest van onze kust zijn ze regelmatig te vinden en dan vooral in havenkommen. Het zijn kleine diertjes van zo’n 2,5 cm. groot met een opvallend geknikt lichaam dat doorzichtig grijs tot grijsbruin is. Ook zijn de grote ogen meestal wel goed zichtbaar al zijn ze moeilijk  van dichtbij te observeren omdat ze springerig door elkaar zwemmen. Ook moeilijk te observeren is de Orde van de pissebedden en dan moet je ze wel eerst nog zien te vinden. Zo is de langspriet een veel voorkomende soort langs onze kust maar hij wordt zelden gezien. Het is een klein beestje van ongeveer 1 cm. met in verhouding enorme onderste voelsprieten, dat een verborgen leven lijdt in een U-vormige koker in slibbodems. Maar soms kun je ze rond zien lopen of zwemmen. De slijkgarnaal heeft ongeveer een zelfde levenswijze als de langspriet alleen maakt hij zijn kokers veelal tussen de wortels van bruinwieren en op de scheepswrakken in de Noordzee. De kokertjes kunnen een wrak met grote grijsbruine ruwe plakkaten bedekken en het een slibbig uiterlijk geven. De slijkgarnaal wordt hooguit 1,2 cm. groot en is geelgrijs met allerlei gekleurde vlekjes en streepjes die zijn aangepast aan de ondergrond. De gewone zeepissebed lijkt op de pissebedden die we van boven water kennen. Ze worden zo’n 3 cm. groot alleen zijn de vrouwtjes iets kleiner dan de mannetjes. De soort is goed te herkennen aan de drie korte stekels aan het staartstuk en soms is er een duidelijke witte streep op de rug te zien. Verder is de kleur over het algemeen grijsbruin of groenbruin maar ook rood tot zwart is mogelijk. De gewone zeepissebed kun je langs de gehele kust vinden tot een diepte van ongeveer 10 meter. Vaak worden ze ook op het strand gevonden tussen aangespoelde bossen wier. De havenpissebed lijkt wel op de gewone zeepissebed maar is breder gebouwd. Ook neigt de kleur van de havenpissebed meer naar geel en is hij een beetje gespikkeld. De havenpissebed is in Zeeland en de Waddenzee algemeen en wordt aan de rest van de kust plaatselijk aangetroffen. Verder in deze Klasse hebben we ook nog de Orde van de vlokreeftjes waartoe ook de Strandvlo behoort. Ook het machospookkreeftje en het wandelend geraamte behoren tot deze Orde. Beide vlokreeftjes lijken op elkaar alleen heeft het machospookkreeftje stompe stekels op zijn rug. Ook is de levenswijze van beide soorten vlokreeftjes hetzelfde. Met hun achterpoten houden ze zich vast aan de ondergrond terwijl ze met hun schaarpoten dierlijk plankton uit het water vissen. Beide soorten worden overal langs onze kust aangetroffen al is het machospookkreeftje zeldzaam. Door hun geringe grootte vallen ze bijna niet op maar als je goed op wieren, hydroïdpoliepen en sponzen kijkt zul je ze zeker vinden. Vooral op broodspons en de gorgelpijppoliep zijn het machospookkreeftje en het wandelend geraamte dikwijls te vinden. Met het vinden van leden van de Orde van de tienpotige, waartoe de garnalen, krabben en kreeften behoren, zul je langs onze kust weinig problemen hebben. De Infraorde van de garnalen omvat een zevental soorten die voor duikers interessant zijn. Één daarvan, de veranderlijke steurgarnaal wordt over het algemeen alleen in de Oosterschelde aangetroffen en dan ook nog dikwijls plaatselijk. De veranderlijke steurgarnaal is goed te herkennen aan zijn bijna haaks naar beneden geknikte achterlichaam en de geringe grote van maar 3 cm.. De kleur van deze soort is zeer variabel van rood, bruin tot groen en vaak is er ook een prachtig bijna doorzichtig vlekken patroon te zien. De veranderlijke steurgarnaal kan in allerlei soorten leefmilieus worden aangetroffen maar is vooral tussen wieren te vinden. De gewone steurgarnaal is een normale verschijning in Zeeland maar is langs de rest van de kust minder algemeen. Hij is goed te herkenen aan zijn gele gewrichten aan de poten. Verder is de kleur van de gewone steurgarnaal doorschijnend met een grijsbruin strepenpatroon met daartussen dunnere streepjes en vlekken. De lengte van de gewone steurgarnaal kan meer dan 6 cm. bedragen en is daarmee een middelgrote garnaal uit ons zoute water. Met een lengte van zo’n 11 cm. behoort de gezaagde steurgarnaal tot de grotere soorten langs onze kust. Hij is te herkennen aan zijn uiterlijk dat op dat van de gewone steurgarnaal lijkt alleen is de gezaagde steurgarnaal groter. Ook het opvallend omhoog gebogen rostrum dat vaak een gespleten punt heeft is voor deze soort een goed herkenningsmiddel. De ringsprietgarnaal is de grootste soort die je langs onze kust kunt vinden en dan vooral in de Oosterschelde. Met een lengte van 16 cm. is het een echte reus onder de garnalen van ons zoute water maar meestal worden ze kleiner gevonden. De ringsprietgarnaal is vrij gemakkelijk te herkennen aan de gekleurde banden die op de antennen te zien zijn. Ook het lichaam dat doorzichtig is met een rode waas en roodbruine strepen en vlekken is een goed herkenningsmiddel. Een garnaal die wat minder in de Oosterschelde maar meer in het Grevelingenmeer wordt aangetroffen is de roodsprietgarnaal. Een wazig doorschijnende garnaal met op het onderste deel van het rostrum vele kleine rode pigmentvlekjes. De roodsprietgarnaal kun je over het algemeen het meest in ondiepe wateren op zand en slibbodems aantreffen maar ook langs de dijkweringen kun je ze vinden. Een mooi garnaaltje van maar 3 cm. groot is het driepuntsgarnaaltje. Dit zeldzame diertje zul je in de Zeeuwse wateren zelden of nooit tegen komen. Meer kans heb je langs de Noordzeekust waar ze algemeen voorkomen al zul je ook hier goed moeten zoeken. Dit kleine garnaaltje heeft op het rugschild drie stekels staan, één in het midden en twee ernaast.  Verder is het lichaam meer gedrongen dan dat van de andere garnalen die hier voorkomen. De kleur is licht roodbruin gestippeld met soms enkele grijze vlekken. De meest bekende garnaal die langs onze kust voorkomt is de gewone garnaal. De meeste zullen de gewone garnaal echter alleen kennen van bij de viswinkel. Het is echter ook één van de meest voorkomende garnalen die we als duiker tegen kunnen komen. Wel zijn ze meestal moeilijk te zien door hun goede schutkleur die gelijk als de ondergrond is waar ze zich meestal ook nog ingraven. Meestal op zand en slibbodems maar ook zijn ze op grindbodems te vinden. Naar de gewone garnaal kun je het beste s’nachts gaan zoeken als ze uit het zand of slib tevoorschijn komen om op jacht te gaan. Ook naar de leden van de Infraorde van de krabben en kreeften kun je het beste s’nachts op zoek gaan en dan vooral voor de grotere soorten. De kleinere krabbensoorten zijn meer overdag actief. Zo ook de gewone heremietkreeft een soort die zoals bijna alle heremietkreeften dat doen een leeg slakkenhuis of iets dergelijks meedraagt als bescherming voor het kwetsbare achterlijf. De gewone heremietkreeft kan ongeveer 10 cm. groot worden en is daarmee de grootste heremietsoort die in onze wateren voorkomt. Het is ook de meest algemene soort terwijl andere soorten zelden worden waargenomen. De kleur van de gewone heremietkreeft is roodoranje maar alleen de twee eerste paar looppoten en het kopstuk met de scharen zijn goed te zien als de gewone heremietkreeft rond loopt. Als hij bedreigd wordt trekt hij zich terug in het slakkenhuis en schermt de opening af met zijn scharen. Één schaar, meestal de rechter, is opvallend groter dan de andere maar voor de rest zien ze er het zelfde uit. Grote exemplaren gebruiken het huisjes van de wulk, een grote zeeslak. Kleinere soortgenoten maken vaak gebruik van de huisjes van alikruiken maar in principe wordt alles wat maar voorhanden en passend is gebruikt om het achterlijf mee te beschermen. Een zeldzame verschijning langs onze kust is de zwarte galathea of oprolkreeftje zoals hij ook wel wordt genoemd. De laatste jaren echter wordt dit kreeftje steeds meer waargenomen en dan vooral in de Oosterschelde. Ook op wrakken in de Noordzee kun je de zwarte galathea tegen komen al zijn ze ook hier niet echt algemeen. De zwarte galathea is een klein kreeftje met een totale lengte van ongeveer 6,5 cm. waarvan het rugschild maar net iets groter is dan de helft. Aan de zijkant van het rugschild zijn een flink aantal stekels te vinden. Het achterlijf ligt opgerold onder het kopborststuk waardoor de zwarte galathea een gedrongen uiterlijk heeft. De schaarpoten van de zwarte galathea zijn in vergelijking zeer lang en hebben slanke scharen. De kleur van de zwarte galathea is donker kastanje bruin tot aubergineachtig met een groenige tint. Dikwijls met een lichter strepen en vlekkenpatroon en de toppen van de stekels zijn rood gekleurd. Andere galatheasoorten zul je hier zelden of nooit tegen komen al moet je nooit, nooit, zeggen. Anders is het voor de spinkrabben waarvan we minstens drie soorten langs onze kust kunt aantreffen. Van die drie soorten die we vooral in de Zeeuwse wateren kunnen aantreffen is vooral de gewone hooiwagenkrab een algemene verschijning. Andere hooiwagenkrabben die hier voorkomen zijn zeldzamer en lijken op de gewone hooiwagenkrab. Om die reden zullen we ze gewoon als een gewone hooiwagenkrab beschouwen. De gewone hooiwagenkrab heeft een 2 cm. peervormig lichaam zoals bij de spinkrabben gewoon is. De lengte van de poten zijn in verhouding met het lichaam extreem lang en vrij dun. Ook de twee schaarpoten zijn vrij dun maar veel korter dan de looppoten. De kleur van de gewone hooiwagenkrab is grijsbruin tot roodachtig. Vaak zul je echter weinig van de eigen kleuren van de gewone hooiwagenkrab te zien krijgen omdat deze soort zich actief camoufleert. Stukjes spons, hydroïdpoliepen en andere organisme worden op het rugschild geplaatst zodat het lichaam in zijn omgeving opgaat. Ook de gewone spinkrab camoufleert zich met stukjes spons, hydroïdpoliepen en wier. Deze soort wordt waarschijnlijk vaak over het hoofd gezien door deze perfecte camouflage. Maar toch komt deze soort algemeen voor langs onze kust ook al wordt de populatie de laatste jaren steeds kleiner. In het Grevelingenmeer is de populatie echter geheel uitgestorven na de afsluiting van deze zeearm. De totale lengte van de gewone spinkrab kan 10 cm. bedragen en zo’n 8 cm breed zijn maar is meestal kleiner. De punt van het rostrum is in tweeën gesplitst en op de kop staan twee korte antennes. Een andere spinkrab die je tegen kunt komen is de rode spinkrab. Deze soort is wel wat kleiner dan de gewone spinkrab maar lijkt er wel op. Alleen heeft de rode spinkrab aan de buitenzijde van de ogen een stekel aan het rugschild. Ook deze soort camoufleert zich met allerlei stukjes organisme en heeft ongeveer een zelfde levenswijze als de gewone spinkrab. Wel is de rode spinkrab in het Grevelingenmeer aan te treffen waar hij voor de afsluiting nog ontbrak en is er toenemend. Ook zijn ze langs de rest van de kust waar te nemen maar zeldzamer dan de gewone spinkrab. Van de echte krabben die langs onze kusten voorkomen is de gewone strandkrab de meest voorkomende en tevens de meest bekende soort. De gewone strandkrab is goed te herkenen aan de drie afgeronde lobben tussen de ogen terwijl de rest van de voorkant van het rugschild getand is en dat hij geen achterste afgeplatte zwempoten heeft. De kleur is variabel van roodbruin tot olijfgroen en de lengte is maximaal 6 cm. terwijl de breedte 8 cm. bedraagt. De mannetjes zijn over het algemeen iets groter dan vrouwtjes. Wanneer de gewone strandkrab verstoord wordt gaat hij op zijn achterpoten staan en strekt zijn scharen uit naar het veronderstelde gevaar. Dit gedrag vertonen de zwemkrabben die langs onze kust voorkomen ook en dan vooral de gewone zwemkrab en de fluwelen zwemkrab. De gewone zwemkrab is de meest algemene soort en is langs de gehele kust en is zelfs op open zee aan te treffen. Het is een krab met een rugschild van maximaal 4 cm. lang en breed en met 5 stekels aan beide zijde van de ogen. Tussen de ogen drie stompe tanden. De kleur van de gewone zwemkrab is bleek grijsbruin soms met een groene waas. Net als bij alle zwemkrabben zijn ook bij deze soort de achterpoten omgevormd tot pedels waarmee zwemkrabben goed kunnen zwemmen. Ook de fluwelen zwemkrab heeft dus afgeplatte achterpoten maar hierop is een karakteristiek blauw tot zwart strepenpatroon te zien. De basiskleur van het lichaam is bruin tot donkerbruin en de slanke scharen zijn paars met blauwe knobbeltjes. Het voorste deel van de scharen is donkerpaars tot zwart en de ogen zijn bloedrood. Ook is de fluwelen zwemkrab, met een rugschild van maximaal 6,5 cm., de grootste zwemkrab soort die langs onze kust voorkomt. Door al deze duidelijke kenmerken is de fluwelen zwemkrab niet te verwisselen met een andere soort. Ook de gewimperde zwemkrab is niet te verwarren met een andere soort. Het is de kleinste zwemkrab die je, al is het plaatselijk, langs de kust kunt aantreffen. Het rugschild is 3 cm. lang en 4,5 cm. breed en is samen met de bovenkant van de scharen donkerbruin van kleur. De poten zijn wat lichter van kleur. Tussen de ogen heeft de gewimperde zwemkrab een gladde maar behaarde rand terwijl de rest van de voorkant van  het rugschild gestekelt is. De laatste 20 jaar worden ze steeds meer in de Oosterschelde gezien al blijven ze er een zeldzaamheid. Nog een sinds enkele jaren toenemende soort in de Oosterschelde is het ruig krabbetje. Maar ook deze soort is daar en langs de rest van de Nederlandse kust niet echt algemeen. Het ruig krabbetje is een klein krabbetje met een rugschild van maar 1,5 cm. lang. De basiskleur is bruin met een bruinrode tekening. Verder zijn het rugschild de poten en de schaarpoten, met uitzondering van de scharen zelf, met haren bedekt. Het is hieraan waar het ruig krabbetje zijn naam dankt. De grootste krab die we in onze zoute wateren kunnen vinden is de noordzeekrab. Met een rugschild met een lengte van 10 cm. en een breedte van maximaal 30 cm. is dit een echte reus onder de Nederlandse krabben. De basiskleur van de noordzeekrab is roodbruin en de top van de scharen zijn zwart. Het is een goed herkenbare krab en wanner je er één tegen komt zal deze meteen herkent worden als een noordzeekrab. De noordzeekrab wordt algemeen op wrakken aangetroffen maar ook langs de Noordzeekust en in de Oosterschelde kun je ze regelmatig tegen komen. De meest bekende onder de kreeftachtige die langs onze kust voorkomt is de zeekreeft. En dan vooral de Zeeuwse wateren zijn beroemt om dit majestueuze dier dat hier in grote aantallen te vinden is. De zeekreeft wordt gemiddeld zo’n 50 cm. lang maar er zijn exemplaren uit de Oosterschelde bekent die de respectabele lengte van een meter hebben bereikt. De zeekreeft is een mooi dier met een blauwzwarte kleur met hier en daar rode stippen en geelbruine randen aan het pantser. De krachtige scharen, waarvan er één groter is dan de ander, hebben een gebobbeld snijvlak. Dikwijls zijn alleen de donkerrode voelsprieten te zien als ze uit het hol steken waarin de zeekreeft zich overdag meestal ophoudt. Maar tijdens een nachtduik zul je meerdere zeekreeften in hun volle gratie kunnen bewonderen als ze op voedseljacht zijn en rond lopen op de bodem.

 

Kreeftachtige zijn veelal nachtdieren dus tijdens een nachtduik worden ze altijd wel waargenomen. Wanneer je naar een specifieke soort wilt gaan zoeken geldt net als bij alle diersoorten dat je eerst iets over die soort moet zien te weten te komen. Met de informatie die je zo inwint  kun je een inschatting maken waar de specifieke soort voorkomt, en op zo’n stek met het vereiste leefmilieu voor die soort gaan duiken. Met zeldzame soorten is het vaak gewoon geluk hebben al kun je ook naar deze soorten gericht gaan zoeken. Al de soorten uit deze klasse en ook uit de rest van het Phylum moeten zich van hun harde uitwendige skelet ontdoen willen ze kunnen groeien. Tijdens deze vervelling zullen de dieren zich terug trekken omdat hun lichaam dan week en kwetsbaar is. Na dat het uitwendige skelet dat tevens als pantser dienst doet is uitgehard zullen de dieren weer tevoorschijn komen. vaak zijn lege delen van kreeftachtige te vinden maar zelden wordt een heel skelet aangetroffen waar het dier net uit is.

 

  Weekdieren

 

 

Net als de geleedpotige is het Phylum van de weekdieren een grote en interessante groep met een al even grote diversiteit. De meest primitieve soort die we tegen kunnen komen langs onze kust is de asgrauwe keverslak uit de Klasse van de keverslakken. Deze slakken vertonen kenmerken die aan de oerweekdieren doen denken. De asgrauwe keverslak is een algemene soort die langs onze kust en dan vooral in het Grevelingenmeer en het oosten van de Oosterschelde gevonden kan worden. Dit weekdier dat ovaal van vorm is heeft, anders dan gewone slakken die een huisje hebben, 8 elkaar overdekkende platen op zijn rug. De kleur is grijsbruin met soms een groene waas maar ook rood of geelachtige exemplaren kunnen gevonden worden. Door dit uiterlijk lijkt hij wel wat op een pissebed en de gelijkenis wordt helemaal groot als de asgrauwe keverslak verstoort wordt en zich ook nog net als een pissebed oprolt. Met de voet kan de asgrauwe keverslak rondkruipen maar meestal zit hij er stevig mee vastgezogen op de stenen waarop hij zich voedt met algen en eencellige. De lengte is maximaal 2,5 cm maar meestal kleiner en er zijn geen ogen of tentakels aanwezig. Van de klasse der tweekleppige komen meer soorten veelvuldig langs onze kust voor, maar enkel een paar soorten worden regelmatig gezien. De meeste soorten tweekleppige die langs onze kust voorkomen leiden een verscholen leven in het zand, slib of grind ingegraven. Er zijn zelfs soorten die in hout en zelfs steen leven en zelden of nooit door duikers worden gezien. De in Nederland voorkomende soorten die zo’n leefmilieu verkiezen zijn de witte boormossel, ruwe boormossel en de paalworm die anders dan zijn naam zou doen denken toch echt een weekdier is. De meeste soorten onder de tweekleppige zul je echter verscholen in een zand, slib of grindt bodem aantreffen. De bekendste van die soorten die dat doen is de kokkel met zijn stevige vuilwitte tot grijsbruine schelp. Op de maximaal 5 cm. grootte schelp ongeveer 24 lengteribbels die uitlopen in stompe tanden aan de rand van de schelp. Deze soort vormt een belangrijk deel van de voedselvoorraad voor de trekvogels die de Waddenzee aandoen om op krachten te komen. De kokkel komt langs de gehele kust en de Oosterschelde voor op ondiepe zandbanken. Dikwijls is de sifon in de bodem te zien waarmee de kokkel water opneemt om er voedsel uit te filteren en zuurstof op te nemen. Voor de witte dunschaal geldt eigenlijk het zelfde als voor de kokkel en wordt van deze soort meestal ook niet meer gezien dan alleen de sifon. De witte dunschaal kan plaatselijk echter overheersen en dan lijkt het net of er geen andere soorten voorkomen in dat gebied. Ook de Amerikaanse zwaardschede de tapijtschelp het zaagje en het nonnetje hebben een soortgelijk leven als de kokkel en de witte dunschaal en zijn daardoor niet zo interessant voor duikers. Wel kun je ontelbare lege schelpen van deze soorten op het strand vinden wat getuige dat deze soorten veelvuldig voorkomen. Soms kun je deze soorten zichzelf over de bodem zien voortbewegen met hun gespierde voet. Die voet gebruiken deze dieren ook om zich mee in te graven wat ze meestal weer snel doen als ze aan het oppervlak verschijnen. De bekendste tweekleppige van onze kust zijn de mossel en de oesters die de meeste wel kennen van de viswinkel. Voor duikers is de Portugese oester, met zijn langwerpige schelp van maximaal 30 cm., de meest herkenbare soort die de gewone oester eigenlijk uit onze wateren aan het verdrijven is. Vooral in Zeeland komt de Portugese oester massaal voor nadat hij hier is ingevoerd ter vervanging van de Zeeuwse oester. De Zeeuwse oester die bijna verdwenen was door een parasiet kreeg daardoor niet de kans om zich te herstellen en is nu zeldzaam aan het worden. Alleen in het Grevelingenmeer komt de Zeeuwse oester nog plaatselijk voor maar hier mag weer niet worden gedoken omdat het hier commerciële percelen betreft. Dit is meestal ook het geval met mosselpercelen die ook verboden terrein zijn. Toch kun je mossels nog in redelijke aantallen in wildgroei langs onze kust aantreffen. De Klasse van de buikpotige is wel de meest bekende binnen het Phylum van de weekdieren. Deze Klasse is weer in drie Onderklasse verdeelt met de longslakkenvoorkieuwige slakken en de achterkieuwigen slakken. Tot de longslakken behoren de landslakken en de zoetwaterslakken maar ook sommige zeeslakken met een schelp, maar deze zijn niet in onze kustwateren te vinden. Uit de Onderklasse van de vookieuwige slakken stamt de wulk, dit is een van de grootste slakkensoort die je langs onze kust kunt aantreffen. De wulk is te herkennen aan zijn robuuste schelp bestaande uit 7 of 8 windingen die 11 cm. lang en 7 cm. breed kan zijn. De voet en de sifo van de wulk is wit met zwarte vlekjes en op het achterlijf is, als de slak rondkruipt, het opperculum duidelijk te zien. Hij maakt vooral jacht op borstelwormen maar ook aas staat op het menu. De wulk komt vooral in de Oosterschelde voor maar kan ook langs de rest van de kust worden gevonden. Heremietkreeften zie je vaak met een lege schelp van een wulk rondlopen. Ook de schelpen van de gevlochten fuikhoorn worden vaak door heremietkreeften gebruikt, al zijn het meestal wel de kleinere exemplaren die daar gebruik van maken. Het stevige huisje van de gevlochten fuikhoorn is zo’n 3 cm. lang en grijsbruin tot karamelbruin van kleur. De voet is grijs met donkere vlekjes en de sifo is donkergrijs van kleur. De gevlochten fuikhoorn is een echte aaseter met een miraculeus reukvermogen die kadavers van een grote afstand ruikt. Vaak zijn ze in grote aantallen op en om een dode vis of kreeftachtige te vinden waaraan ze zich te goed doen. Als de gevlochten fuikhoorn heeft gegeten zal hij zo snel mogelijk weer in de bodem verdwijnen om zo tegen vijanden beschermt te zijn. Als er weer een kadaver in de buurt ligt zullen ze weer met tientallen tegelijk uit de bodem tevoorschijn komen om zich weer tegoed te doen aan het rottende vlees. Een echte jager is de purperslak die zich voedt met zeepokken, mosselen en schaalhoorns. Met zijn radula en met een zuur maakt de purperslak een gaatje in de kalkplaatjes of de schelp en kan zo bij het vlees komen om het op te eten. De schelp van de purperslak is dik en maximaal 4 cm. groot met 4 tot 5 windingen. Kleuren uiteenlopend van lichtgrijs met een blauwgroene tint tot violet en zelfs crèmekleurig. Na jaren bijna afwezig te zijn geweest komt de purperslak weer steeds meer in de Oosterschelde voor, ook al is het plaatselijk. Langs de rest van de kust is het nog steeds een uitzondering als je er één tegenkomt. Anders dan bij de purperslak kun je de tepelhoorn wel algemeen langs onze gehele kust aantreffen. Het is net als de purperslak een jager die zich met tweekleppige voedt. Met de radula wordt een gaatje in de schelp gemaakt waarna hij bij het vlees kan om te eten. De tepelhoorn is een mooi slakje van zo’n 3 cm. groot. De kleur is wit met beige met iets donkerdere bruine vlekjes. De tepelhoorn kun je op een zanderige bodem tot een diepte van ongeveer 10 meter aantreffen. Dit is ook het leefgebied van de alikruiken die hier voorkomen. Zo kun je de stompe alikruik regelmatig in de wierzone tegenkomen. Het is een klein slakje van hooguit 1,5 cm. met een meestal opvallend gele kleur, maar ook groene, oranje, bruine en zwarte exemplaren kun je tegen komen. Vaak is de stompe alikruik op bruinwieren te vinden waarmee hij zich voedt maar ook tussen de stenen waarop de wieren groeien zijn ze vaak te zien. Zo ook de ruwe alikruik die er een soortgelijk bestaan op na houdt. De ruwe alikruik kan iets groter worden als de stompe alikruik en de kleur is niet zo variabel als bij de voorgaande soort, meestal is de kleur donkergrijs. Ook de ruwe alikruik is een vegetariër die zich te goed doet aan de wieren die in de getijdenzone voorkomen. Zelfs boven de laagwaterlijn kun je de ruwe alikruik langs de gehele kust tegen komen. Zo ook de gewone alikruik die de grootste is van de drie beschreven soorten. Met een lengte van 3 cm. is hij niet te verwisselen met de andere soorten. Al lijkt hij nog het meest op de ruwe alikruik. De kleur is variabel maar meestal is de basiskleur bruin of grijs maar ook andere kleuren zijn mogelijk. De gewone en ruwe alikruik hebben beide een grijze voet en kop terwijl die van de stompe alikruik dikwijls dezelfde kleur als de schelp heeft. Als de stompe alikruik door omstandigheden boven de laagwaterlijn terecht komt overleeft hij door onder wier te kruipen. De gewone en de ruwe alikruik zuigen zich met hun voet vast aan een steen en wachten tot het weer hoog water wordt. De gewone alikruik is van grote commerciële waarden en worden als een lekkernij beschouwt. Een andere verschijning langs onze kust is de gewone schaalhoorn die net als de gewone en de ruwe alikruik boven de laagwaterlijn voorkomt. Het uiterlijk verschilt echter nog al van de alikruiken. De gewone schaalhoorn heeft een typerende kegelvormige schelp, die wel 7 cm. groot kan worden en die meestal aan een steen bevestigt is. met zijn sterke voet zuigt de gewone schaalhoorn zich vast en begraast zo de steen. Hij voedt zich met de algen die op stenen groeien en die hij met zijn radula van de stenen afschraapt. De kleur is grijs tot groenblauw, en als de gewone schaalhoorn zich verplaatst zijn langs de mantelrand vele doorschijnende tentakeltjes te zien. Een interessante soort binnen de groep van de buikpotige is het muiltje. Deze filteraar met een schelp van zo’n 5 cm. is goed te herkennen omdat ze zich aan elkaar hechten met bovenop de onvruchtbare mannetjes die naarmate de stapel groeit veranderen in geslachtrijpe vrouwtjes. Geslachtrijpe individuen die rond kruipen zijn altijd mannetjes. Het muiltje is vaak in oester en mosselbanken te vinden en vormt soms een echte plaag. Meestal is het muiltje aan een harde ondergrond vastgehecht  zoals stenen of andere schelpdieren. Deze soort die per ongeluk vanuit Amerika is ingevoerd heeft inmiddels heel West-Europa veroverd. Zo ook de Zeeuwse wateren en de Waddenzee maar minder langs de rest van onze kust. Na al deze voorkieuwige slakken is het nu de beurt aan de achterkieuwigen slakken die voor de meeste duikers toch het interessantste zijn omdat hier ook de kleurige naaktslakken toe behoren. Ook al hoort het groene wierslakje bij de achterkieuwige, en al zullen de meeste duikers denken dat ze met een naaktslakje te doen hebben als ze deze soort vinden, is dit echter niet het geval. Het groene wierslakje is meer gerelateerd aan de zeehazen die je in iets warmere gebieden kunt vinden dan aan de naaktslakken. Omdat in deze groep soorten zijn te vinden met een inwendige of uitwendige schelp is ook het groene wierslakje, al heeft deze geen schelp, geen naaktslak. Nog een groot verschil met de echte naaktslakken, ook wel nudibranches genoemd, is dat het groene wierslakje een vegetariër is terwijl echte naaktslakken carnivoor zijn. Het groene wierslakje zul je daarom meestal op wieren aantreffen waarmee hij zich voedt. Als je goed kijkt kun je zelfs zien welke wieren een slakje het meest eet. Individuen met een groenachtige kleur eten veel groenwieren en die met een roodachtige kleur roodwieren. De basiskleur is hierdoor zeer variabel en dikwijls zijn er gekleurde puntjes te vinden. In de Oosterschelde overheerst meestal een donkergroen grijsachtige kleur met paarsviolette stippels. Ook is het zo dat de groene wierslakjes in de Oosterschelde meestal groter zijn dan die langs de rest van de kust voorkomen. Normaal worden ze zelden groter dan 5 cm. maar in de Oosterschelde kun je exemplaren van wel 7 cm. aantreffen. Het is een langwerpig dun slakje met aan beide zijde van het lichaam een soort vleugels die voor de zuurstofopname worden gebruikt. De rhinophoren zijn meestal opgerold. Van de echte naaktslakken is de grote vlokslak wel de bekendste en ook wordt hij het meest gevonden. Het is een grote slak die zo’n 12 cm. lang kan worden en waarvan de rug dicht bezet is met papillen die grijs van kleur zijn. Op het midden van de rug een gedeelte zonder papillen waar dikwijls een karakteristieke witte vlek is te vinden. Op de kop zijn twee tentakels te vinden en de rhinophoren zijn kort. De kleur van het lichaam is meestal vuilwit tot grijsbruin maar ook geheel bruin, violet, lila of roze is mogelijk. De grote vlokslak voedt zich vooral met zeeanjelieren maar ook ander anemonen staan op zijn menu. Van november tot mei kun je de witte tot gele eisnoeren van deze soort vinden als een gekartelde spiraal. De eisnoeren van de kleine vlokslak worden ook in een spiraal afgezet maar deze is niet gekarteld en is wit van kleur. Ook anders dan de grote vlokslak zet de kleine vlokslak zijn eieren in de maanden juli en augustus af wanneer de watertemperatuur aanzienlijk hoger is. De kleine vlokslak is veel kleiner dan de grote vlokslak, tot 5 cm. en heeft rhinophoren die net zo lang zijn als de tentakels die op de kop staan. De rug is bezet met papillen waarin  donkere uitlopers van de darmen te zien zijn. Op het midden van de rug geen papillen die meestal groenachtig van kleur zijn met bruine en witte vlekjes. Het lichaam is eigenlijk kleurloos maar door het doorschijnen van het darmkanaal heeft deze slak meestal de kleur van de prooien die hij eet. Ook de kleine vlokslak voedt zich net als de grote vlokslak met anemonen. Een slakje dat wel wat op de kleine vlokslak lijkt is de zeldzame brede ringsprietslak. Een opvallend actieve soort die zich met hydroïdpoliepen voedt. Ook de brede ringsprietslak heeft een groot aantal rugpapillen die vaak rood tot bruin gekleurd zijn maar ook grijs en zelfs groen is mogelijk. De toppen van de papillen zijn meestal wit of ze hebben een witte band net onder het topje. Het lichaam is kleurloos tot lichtgeel of wit met een roze gloed en op de staart soms een witte streep. De rhinophoren zijn duidelijk geringd. De brede ringsprietslak kan tot 6 cm. groot worden maar wordt meestal kleiner aangetroffen. Één van de mooiste naaktslakken is het blauwtipje met een transparant of gelig lichaam met een blauwe gloed. Zeer veel papillen die net als het lichaam transparant zijn en waarin de uitlopers van de darmen goed te zien zijn. Het puntje van de papillen is wit maar lijkt blauwig. Op de kop geribbelde rhinophoren waarmee de slak zijn voedsel dat uit struikvormige mosdiertjes bestaat kan vinden. De voet is bij de kop breed en is spits toelopend naar de staart toe. Het blauwtipje is een flinke slak die zo’n 8 cm. groot kan worden. De witte tot lichtroze gegolfde cirkels zijn de eisnoeren van het blauwtipje, deze kun je vanaf de nazomer tot december vinden. De slanke waaierslak is ook een slakje met rugpapillen al heeft deze soort er beduidend minder dan de vorige soorten. Bij de slanke waaierslak staan de rugpapillen in een 5 tot een 7 tal groepjes aan beide zijde van het lichaam. De papillen zijn vaak rood maar ook bruin of groen kan voorkomen. Rond de top hebben de papillen een witte ring met een donkerder topje. Het lichaam dat zo’n 2 cm. groot wordt is vrijwel kleurloos tot melkachtig wit met soms een wat witte tekening. Mosdiertjes vormen het voedsel van de slanke waaierslak, waarbij ze dikwijls in de buurt van zijn te vinden. Vooral in de Oosterschelde is de slanke waaierslak een algemene soort maar langs de rest van de kust minder algemeen. Nog een tamelijk en in sommige jaren zeer algemene naaktslak is de gorgelpijp-knotsslak. Deze slak wordt hier niet groter dan 2 cm. aangetroffen maar kan in andere gebieden iets groter worden. De stevige papillen zijn in groepjes van 2 tot 7 aan beide zijde van het lichaam geplaatst en hebben een duidelijke witte punt. Vaak is er ook nog een witte of gekleurde band onder de witte punt te vinden en bij de punt geeloranje, rode of witte vlekjes. De variëteit met de witte puntjes is in Nederland het meest algemeen. De gorgelpijp-knotsslak zul je meestal op zijn voedsel aantreffen wat uit de penneschaft en in mindere mate uit de gorgelpijp bestaat. Ook de volwassen boompjesslak voedt zich met deze poliepen en is daarom ook dikwijls in de buurt van zijn voedselbron te vinden. Jonge dieren zijn meer op andere soorten hydrapoliepen te vinden waarmee zij zich voeden. De boompjesslak is een grote slak die zo’n 10 cm. groot kan worden en meestal roodachtig van kleur is. Soms is er een gemarmerd patroon te zien met witte en gele stippen. Aan beide zijde van de rug zijn 4 tot 9 vertakte kieuwen te vinden. Anders dan bij de voorgaande soorten zijn dit geen papillen maar echte kieuwen die voor de ademhaling worden gebruikt. Ook de rhinophoren hebben een vertakte hoes en het zijn deze rhinophoren en kieuwen waaraan deze slak zijn naam dankt. Één van de mooiste naaktslakken is de gestippelde mosdierslak. Dit kleine slakje wordt zelden groter dan 3 cm. en is prachtig gekleurd. Het lichaam is transparant met een basiskleur van wit tot zeer lichtgroen. Het hele lichaam is bedekt met zwarte en gele stippen met daar tussen oranje vlekken. Aan elk van de rhinophoren is een flink naar achter stekend stuk te vinden. Ongeveer in het midden van het lichaam staat de kieuwkrans met daarachter twee grote rugaanhangsels. De voet van de gestippelde mosdierslak loopt aan de voorzijde uit in twee tentakel-vormige punten. Zoals de naam al zegt zul je de gestippelde mosdierslak op en bij kolonies mosdiertjes aan kunnen treffen waarmee hij zich ook voedt. De gestippelde mosdierslak is een zeldzame slak die tot nu toe alleen in de Zeeuwse delta is gevonden en daar steeds meer wordt waargenomen. Nog een zeldzame naaktslak is de satijnslak die in de Oosterschelde wel steeds meer wordt gezien. Deze vuilwitte tot grijze naaktslak kan zo’n 5 cm. groot worden maar in Nederland zijn ze zelden groter dan 3 cm.. Op de rug van de satijnslak zijn een groot aantal kleine papillen te vinden die deze slak een fluwelen uiterlijk geven. Achter op de rug staat de tentakelkrans die bij verstoring wordt ingetrokken. De rhinophoren zijn geribbeld en hebben witte toppen. Het voedsel van de satijnslak bestaat uit allerlei soorten sponzen zoals broodspons en geweispons. Nog een sponsetende naaktslak is de millennium wratslak. Anders dan de satijnslak eet deze slak alleen korstvormende sponzen. De millennium wratslak is een grote naaktslak die in de Oosterschelde een lengte van 12 cm. kan bereiken. In andere gebieden wordt deze naaktslak meestal niet veel groter dan 6 cm.. De kleur is vaak rozebruin met een lichtere onderzijde en aan de rand van de onderzijde kleine bruine vlekjes. De millennium wratslak heeft een wratachtig uiterlijk met rond de grotere wratten vaak een stervormig patroon. Deze grotere wratten zijn klieren waarmee de slak een sterk zuur kan afscheiden om belagers af te schrikken. Eisnoeren van de millennium wratslak kom je in de zomer tegen als vuilwitte brede gegolfde rozetten die altijd aan een harde ondergrond zijn bevestigt. Vanaf 1999 wordt de millennium wratslak in de Oosterschelde gevonden en is met de jaren daarna steeds talrijker geworden. Een naaktslak die langs de gehele kust algemeen voorkomt is de rosse sterslak. Dit naaktslakje dat hooguit 4 cm. groot wordt is vuilwit tot beige van kleur met grote bruine vlekken. In het midden van de rug vaak lichter tot wit van kleur. De gehele rug is bezet met korte wratachtige uitsteeksels waarmee de rosse sterslak net als de millennium wratslak een zuur kan afscheiden. De op het achterlijf gelegen kieuwkrans is groot en kan uit maximaal 29 kieuwen bestaan en de korte rhinophoren hebben schuine ribbels. Eisnoeren van de rosse sterslak kunnen van december tot mei worden gevonden als vuilwitte, brede spiraalvormige banden. Volwassen dieren zijn vaak bij hun voedselbron te vinden die voornamelijk uit zeepokken bestaat. Wil je de egelslak een keer vinden dan maak je de meeste kans op de wrakken die in de Noordzee liggen. Dit naaktslakje met een maximale lengte van 5 cm. is bedekt met korte zachte uitsteeksels. De kleur kan uiteen lopen van grijs tot bruin of wit tot geel en zelfs donker paarsbruin en antracietkleurig is mogelijk. De egelslak heeft op het achterlijf een kieuwkrans die uit 7 tot 9 grote kieuwen bestaat. De rhinophoren zijn als ze geheel zijn uitgestrekt naar achteren gebogen. Net als de andere naaktslakken is ook de egelslak dikwijls dicht bij zijn voedselbron te vinden die bij deze soort uit korstvormig groeiende mosdiertjes bestaat. De bandvormige witte eistrengen kun je het gehele jaar door aantreffen vaak ook dicht bij die voedselbon. Hoewel sommige van deze naaktslakken prachtig gekleurd zijn is het toch de klasse van de koppotige die de Zeeuwse wateren wereldwijd bekent hebben gemaakt. Eigenlijk is van de 3 voorkomende koppotige alleen de zeekat beroemd om zijn trek naar de Zeeuwse wateren. De zeekat veelal sepia genoemd naar zijn Latijnse naam Sepia officinalis komt in het voorjaar vanuit de Noordzee naar de Oosterschelde om hier te paren. Dit schouwspel is op sommige plaatsen dan goed te observeren en trekt dan ook duikers uit alle windstreken aan. Tijdens de hoogtijdagen van de paartijd kun je op deze stekken dan ook gemakkelijk 100 zeekatten tegenkomen die op zoek zijn naar een geschikte partner. Wanneer een partner is gevonden begint er een fantastische balts gevolgd door de daadwerkelijke paring waarbij de kleuren van beide dieren in een hoog tempo veranderen. Deze eigenschap om van kleur te veranderen komt zowat bij alle koppotige voor en wordt veroorzaakt door pigmentcellen die uitzetten of krimpen. Het normale kleed van de zeekat is bruin met witte strepen. Zeekatten hebben tien armen waarvan er twee als vangarmen fungeren. De twee vangarmen zijn langer dan de andere acht en aan het eind zijn ze lepelvormig. Bij het mannetje van de zeekat is één van de andere acht armen voor de voortplanting bestemt. Op deze arm deponeert hij zijn spermapakketje om het vervolgens bij het vrouwtje met deze arm in de mantelholte in te brengen. Direct nadat het sperma is ingebracht begint het wijfje met het afzetten van de urnvormige zwartpaarse eieren. Zeekatten zijn intelligente dieren die dikwijls net zo veel interesse in ons hebben als wij in hun. Vaak als je rond Pasen een duik in de Oosterschelde maakt komt er wel een zeekat nieuwsgierig naar je toe gezwommen om je te inspecteren. Met hun W-vormige pupillen onderzoeken ze ons duikers meestal aandachtig en als ze genoeg hebben gezien zwemmen ze, gebruik makend van hun vin die hun gehele lichaam omzoomt, rustig weg. Wanneer de zeekat wordt opgejaagd gebruikt hij zijn straalaandrijving waarmee hij fikse snelheden kan bereiken. Wanneer de zeekat op jacht gaat maakt hij meestal gebruik van zijn camouflage of hij graaft zich in om zich zo te verbergen. Wanneer een prooi die meestal uit kreeftachtige bestaat voorbij komt en in bereik van de vangarmen is zal de zeekat deze uitstrekken en met de zuignappen die op de armen zijn te vinden de prooi grijpen. De prooi wordt gelijk naar de papegaaiachtige bek gebracht om een giftige beet toe te brengen. Nu zul je in Nederland zelden een volwassen zeekat vinden die op jacht is omdat ze hier alleen naar toe komen om te paren. Na de paring zullen alle vrouwtjes en de meeste mannetjes sterven. Dus alleen de jonge dieren die bij het uit het ei komen al geheel op de ouderdieren lijken kun je hier aantreffen tijdens hun jacht op garnalen en kleine visjes. Een andere koppotige die in de zelfde tijd als de zeekat de Oosterschelde aandoet is de gewone pijlinktvis. Ook de pijlinktvissen komen hier om voor nageslacht te zorgen maar doen dat niet zo massaal zoals de zeekatten dat doen. Pijlinktvissen zijn uitstekende, elegante zwemmers die een palagiaal leven leiden en met hun vangarmen jacht maken op vissen. Het slanke lichaam kan een lengte van 75 cm. bereiken met aan het achtereind aan beide zijde van het lichaam een vin die tezamen een naar voren gerichte punt vormen. Ook de pijlinktvis heeft net als de zeekat 10 armen waarvan er bij het mannetje één is omgevormd voor de voortplanting. De kleur is meestal roodbruin maar ook dit is net als bij de zeekat afhankelijk van het humeur van het dier. De kleinste van de koppotige die we langs onze kust kunnen vinden is de dwerginktvis, ook wel sepiola genoemd wat net als bij de zeekat de Latijnse naam is. de dwerginktvis is een klein onopvallend inktvisje van zo’n 5 cm lang. Een tamelijk plomp uiterlijk en de ronde vinnen die er als flapjes uitzien zijn karakteristiek voor deze soort. De kleur is doorschijnend wit met ontelbare lichtbruine en roodbruine vlekjes maar is net als bij de vorige soorten ook weer van het humeur afhankelijk. Ook deze soort heeft tien armen waarvan er bij het mannetje zelfs twee voor de voortplanting kunnen dienen. Deze armen zijn boven de rest van de armen gelegen en daardoor duidelijk zichtbaar. Dwerginktvissen voeden zich met kleine kreeftachtige en visjes die ze vanuit een hinderlaag overmeesteren. Van al de koppotige kun je het dwerginktvisje eigenlijk het meest tegen komen omdat ze het meest algemeen zijn, maar toch worden ze niet vaak gezien. De oorzaak van dit is dat deze diertjes meestal ingegraven in de bodem liggen te wachten op prooi met alleen de ogen en de bovenste armen boven de bodem uitstekend.

 

Weekdieren kun je werkelijk overal in het zoute water aantreffen al zijn ze dikwijls bijna niet zichtbaar. Om ze te vinden is goed zoeken eigenlijk het enige advies dat kan worden gegeven. Nu is het zo dat de vrij levende weekdieren zoals de slakken dikwijls bij hun voedselbron in de buurt zijn te vinden. Om koppotige te vinden heb je geluk en kennis nodig. Kennis vooral voor de pijlinktvis en de zeekat om de paaiplaatsen weten te vinden, geluk vooral voor de dwerginktvis omdat die zo’n verborgen leven leidt. 

 

Mosdiertjes

 

 

Mosdiertjes die in zee leven kunnen uiteenlopend van vorm zijn. Zo kun je dunne korstvormende, kussenachtige, lobachtige of twijgachtige vormen van mosdierkolonies vinden in ons zoute water. De individuele diertjes die in zo’n kolonie leven zijn meestal duidelijk te onderscheiden. Ze hebben net als hun soortgenoten in het zoete water tentakelkransen die bij de minste verstoring worden ingetrokken. De tentakelkrans is om voedsel mee te verzamelen dat uit plankton bestaat. Een kolonie bestaat meestal uit mannelijke en vrouwelijke individuen zodat de voortplanting geen probleem is. Embryo’s groeien meestal in de moedercel of in speciale broedcellen en zijn bij sommige soorten duidelijk te zien. Nadat de embryo’s volgroeid zijn zullen deze zich aan de kolonie toevoegen of zich van de kolonie losmaken om elders een nieuwe kolonie te starten. Bij de doorschijnende zeevinger is de ontwikkeling van de embryo’s goed te zien door het gelatineachtige weefsel van de kolonie. De voortplanting van deze soort begint in de herfst en loopt door tot in de winter. De doorschijnende zeevinger is kussenvormend met uitstekende knobbels en lobben en is wit tot zandkleurig tot zacht oranje van kleur. Deze soort wordt algemeen in het inter-getijdengebied langs onze kust aangetroffen. Een andere kolonie die je in het zelfde gebied en zelfs nog iets dieper kunt aantreffen is de haarcelpoliep die vrij gemakkelijk is te herkennen aan de wittige pluizige boompjes die tot zo’n 2 cm. hoog worden. De meest herkenbare soort is wel de gepluimde hoorncelpoliep die de vorm heeft van een kerstboompje van ongeveer 10 cm. hoog. De gepluimde hoorncelpoliep is een zeer algemene soort in de Oosterschelde en het Grevelingenmeer en wordt elke duik wel gevonden. Langs de rest van de kust zul je de kolonies in een iets mindere mate tegen komen. Wel zeer algemeen is de korstvormende zeevitrage die een gaasachtige overtrek op allerlei soorten ondergrond vormt zoals wieren, stenen en hout. Net als de zeevitrage komen er nog veel meer soorten voor langs onze kust die korstvormend zijn. Maar deze soorten, die soms veelvuldig voorkomen, zijn alleen interessant omdat ze als voedsel voor andere dieren dienen en dan speciaal voor sommige naaktslakken.

 

De mosdierkolonies kom je elke duik in het zoute water wel tegen maar deze worden meestal niet herkent. Omdat er zoveel soorten langs onze kust voorkommen en ze dikwijls veel op elkaar lijken is het herkennen van de verschillende soorten daarom ook onbegonnen werk. Wel kun je kijken tot welke groep ze behoren zoals de korstvormende of één van de andere groepen. Mosdiertjes vind je op allerlei dieptes en op uiteenlopende ondergronden zoals stenen, wieren, hout en schelpen maar ook op andere mosdierkolonies en zakpijpen.

 

 

Hoefijzerwormen

 

 

hoefijzerwormen vormen een exclusieve groep in de mariene dierenwereld. Zo zijn er wereldwijd maar 11 soorten bekent waarvan er slechts één langs onze kust kan worden aangetroffen. Het betreft hier de kleine hoefijzerworm die je vooral aan de noordzijde van de Oosterschelde ten oosten van schelphoek kunt aantreffen. Van de kleine hoefijzerworm zul je echter niet veel meer zien dan de hoefijzervormige witte of doorzichtige tentakelkrans van hooguit 1 cm. in doorsnee. Bij verstoring zullen deze tentakels razend snel worden ingetrokken. Het wormachtige lichaam van de kleine hoefijzerworm zit verborgen in een kokertje van hoornachtig materiaal dat enkele centimeters lang kan zijn. Het kokertje zit in de grond of op een harde ondergrond bevestigt. Het voedsel van de kleine hoefijzerworm bestaat uit plankton dat met de tentakels die bedekt zijn met een slijmlaagje uit het water wordt gefilterd. De bevruchting van de eicellen gebeurt in het open water nadat de ouderdieren hun eicellen of sperma hierin hebben geloosd. De larven die daarna ontstaan lijken zo weinig op de ouderdieren dat ze vroeger voor een aparte soort werden aangezien.

 

Kleine hoefijzerwormen kun je in het intergetijdengebied aan de noordzijde van de Oosterschelde aantreffen maar zijn elders langs onze kust zeldzaam. Meestal in flinke kolonies bij elkaar meestal in kalksteen. Vooral de Vilvoortse kalksteen die vroeger voor de dijkbouw werd gebruikt is een favoriete ondergrond waarin de kleine hoefijzerworm zijn koker boort.

 

 

Stekelhuidige

 

 

Het Phylum van de stekelhuidigen is weer op te delen in twee Subphylum. De eerste bestaat uit de zeelelies waarvan een groot gedeelte is uitgestorven en degene die nog voorkomen doen dat niet langs onze kust. Het ander Subphylum is weer op te delen in vier Klasse waarvan er drie langs onze kust zijn te vinden. Dit zijn de Klasse van de zeesterren, slangsterren en de zee-egels. De bekendste van deze drie Klasse zijn wel de zeesterren met hun meestal vijf armen. Er bestaan overigens ook soorten met wel 40 armen maar die komen langs onze kust niet voor. De meest voorkomende soort die je veelvuldig in onze zoute wateren aantreft is de gewone zeester. Dit is een bleekoranje tot donkerpaarse zeester van zo’n 20 cm. doorsnee. Maximaal kunnen ze wel een doorsnee van 50 cm. bereiken maar deze exemplaren zijn in Nederland zeer zeldzaam. Zoals de meeste zeesterren is de gewone zeester vijfstralig symmetrisch met relatief dikke armen. Wanneer de gewone zeester actief wordt gaan de punten van de armen omhoog staan. De huid aan de rugzijde is ruw met talloze bobbeltjes. Aan de onderzijde vinden we talloze voetjes en tangetjes die met een moeilijk woord pedicellariae worden genoemd. Met de voetjes die een soort zuignapjes bevatten trekt de gewone zeester de schelpen van zijn prooi uiteen die vaak uit mosselen bestaat. Ook andere ongewervelde en aas staan op het menu, en een dode vis is dan ook dikwijls bedekt met gewone zeesterren. Een andere zeester die je langs onze kust kunt tegen komen is de kleine kamster. Wel is de kleine kamster veel zeldzamer dan de gewone zeester en wordt voornamelijk in de Oosterschelde waargenomen. Vooral s’nachts heb je de meeste kans om een kleine kamster tegen te komen omdat ze dan op jacht gaan op weekdieren, wormen, slangsterren en zee-egels. Overdag kunnen kleine kamsterren grotendeels ingegraven in een zandbodem worden aangetroffen. De kleine kamster is een mooie zeester met een doorsnee van ongeveer 20 cm. en lichtbruin of oranjebruin tot een bleek violet kleurig lichaam. De onder en de bovenzijde van het lichaam en armen is afgezet met duidelijke zijplaten waarvan de meeste een korte stekel bezitten. Door deze stekels lijken de armen franjes te hebben. de onderste rij platen bevat drie langere bewegelijke stekels. Anders dan bij de gewone zeester hebben de zuigvoetjes van de kleine kamster geen zuignapjes. Andere zeesterren komen langs onze kust eigenlijk niet voor al zou je de ijszeester als dwaalgast aankunnen treffen. De ijszeester is een mooie zeester die wel een doorsnee van 80 cm. kan bereiken. De geelbruine rugzijde is bedekt met korte grijsgroene stekels die op kussentjes staan. Op deze kussentjes zijn ook enkele grijporgaantjes te vinden die ook aan de onderzijde te vinden zijn. Ook zijn bij deze zeester ontelbare voetjes aan de gelige onderzijde te zien. Van de Klasse der slangsterren kun je drie soorten regelmatig langs onze kust tegen komen. het betreft hier de kleine slangster, gewone slangster en de brokkelster. Slangsterren lijken oppervlakkig wel op de zeesterren met een centrale schijf en vijf armen. Wel is de centrale schijf duidelijk van de armen afgescheiden en zijn de armen veel slanker. Ook zijn slangsterren veel beweeglijker door de in de armen gelegen wervels die een soort gewrichten vormen. Van de drie soorten is de kleine slangster het zeldzaamste en wordt alleen op zand en slibbodems in de Waddenzee en de Oosterschelde gevonden. De centrale schijf is bij de kleine slangster maximaal een centimeter in doorsnee en de armen niet langer dan 7 cm.. De kleur is roodbruin en verder heeft de kleine slangster een kaal uiterlijk. Op de armen is op elk segment aan weerszijde een gladde stekel te sdzdat als voedsel dient. Ook de gewone slangster komt zo aan de kost maar deze soort wordt minder vaak actief zoekend naar voedsel aangetroffen door duikers. meestal liggen ze met uitgespreide armen op de slibbige zandbodem. De gewone slangster lijkt op de kleine slangster maar is wel groter en heeft een tekening met een symmetrische structuur op de centrale schijf. Deze schijf kan bij de gewone slangster tot zo’n 3,5 cm. in doorsnee zijn en de armen kunnen een lengte van 12 cm. bereiken. Hoewel deze soort langs de gehele kust voorkomt maak je in de Oosterschelde toch de meeste kans om ze tegen te komen. Ook de brokkelster kun je het meest in de Oosterschelde aantreffen en dan soms zelfs massaal. Langs de rest van de kust vrij algemeen maar niet zo massaal als in de Oosterschelde en in het oostelijke deel van het Grevelingenmeer ontbreekt hij geheel. De zeer bewegelijke brokkelster heeft een centrale schijf van hooguit 2 cm. in doorsnee en armen die een lengte van 10 cm. kunnen bedragen. De brokkelster heeft een zeer breekbaar uiterlijk en lijkt harig door de vele gezaagde stekels die de zijden van de armen bedekken. Met deze stekels filtert de brokkelster planktondiertjes uit het water door zijn armen omhoog in de stroming te steken. Van de Klasse der zee-egels komen er verschillende soorten langs onze kust voor, maar de meeste leiden een verborgen leven. De zeeklit en het zeeboontje zijn van die zee-egels die je als duiker zelden te zien krijgt, meestal liggen ze ingegraven in een zandbodem. Het zijn onregelmatige zee-egels die een ovaal of hartvorm hebben en niet de scherpe stekels die de regelmatige zee-egels wel hebben. De zeeklit heeft een harig uiterlijk door de korte dicht opeen gepakte stekels en is maximaal 9 cm. groot. De kleur is meestal geelbruin zoals de ondergrond waarop dit dier leeft. Als voedsel voor de zeeklit dienen kleine slakjes. Tweekleppige weekdieren en wormen. Het zeebontje is veel kleiner en wordt maar 1,5 cm. groot. Ook deze zee-egel heeft een harig uiterlijk door de korte opeen gepakte stekels en is grijs tot heldergroen van kleur. Beide worden zelden gezien al komen ze tamelijk algemeen voor. Een zee-egel die wel regelmatig wordt gezien is de gewone zeeappel. Dit is een zee-egel uit de groep van de regelmatige zee-egels. De zeeappel heeft een bolrond lichaam met stevige beweeglijke stekels die 1,5 cm. lang kunnen zijn. De punten van de stekels zijn scherp en paars gekleurd. De rest van het lichaam is grijsgroen. Tussen de stekels zijn vijf dubbele rijen gaatjes te vinden waardoor de hydraulische voetjes door naar buiten steken. Met deze voetjes bedekt de gewone zeeappel zijn lichaam door stukjes wier op de stekels te prikken ter camouflage. Ook worden de voetjes bij het verzamelen van voedsel gebruikt dat eigenlijk uit van alles kan bestaan. De gewone zeeappel wordt met name in de Oosterschelde gevonden maar is ook in het Grevelingenmeer geen zeldzame verschijning.

 

Van al de stekelhuidige die je langs onze kust kunt tegen komen zijn de gewone zeester en de brokkelster veruit het meest algemeen. In de Oosterschelde is het vooral de brokkelster die van zich doet spreken. En dan vooral in het westelijke deel van de Oosterschelde lijkt de brokkelster soms een ware plaag, wanneer ze dikke lagen vormen. In het Grevelingenmeer zul je de gewone zeester als meest voorkomende stekelhuidige tegen komen. Ook langs de rest van de kust is deze zeester zeer algemeen en meestal de overheersende stekelhuidige soort. De rest van de stekelhuidige is zeldzamer, al komen sommige soorten toch nog regelmatig voor. De beide slangsterren zijn van die soorten die niet echt algemeen zijn ten opzichte van de gewone zeester en de brokkelster maar toch regelmatig worden gezien. Ook de gewone zeeappel is zo’n soort die regelmatig wordt gezien maar in getal in het niet valt bij de gewone zeester en de brokkelster. De overige soorten zijn zeer zeldzaam of leven zo’n verborgen leven dat ze door duikers zelden of nooit worden gezien. Wanneer je één van die soorten zult tegen komen moet je dat dan ook als puur geluk beschouwen.

 

Manteldieren

 

 

De groep van de manteldieren is één van de drie Subphylum in de grote en rijk geschakeerde Phylum der chordata. Dit Subphylum is weer op te delen in drie Klasse waarvan er één interessant genoeg is om te bespreken. De Klasse van de zakpijpen is bij de meeste duikers wel bekent door de veelvoorkomende doorschijnende zakpijp en de knotszakpijp. Dit zijn twee soorten die veelvuldig in de Zeeuwse wateren worden gezien, en meestal ook gelijk opvallen. De doorschijnende zakpijp is wel het meest opvallendst van de twee. Hij heeft een tamelijk langgerekt lichaam dat doorschijnend gelig of groen tot een beetje roodachtig van kleur is en ongeveer 15 cm. hoog kan worden. De in en uitstroomopening zijn gegolfd en geel van kleur. Vaak zijn er ook rode puntjes tussen de golven van de rand te zien. Deze soort wordt vooral in groepjes of individueel in het Grevelingenmeer gevonden. Ook de knotszakpijp kun je in het Grevelingenmeer tegen komen maar deze soort is ook in de Oosterschelde veelvuldig te zien. Het is een solitaire, uit Japan ingevoerde soort die het hier blijkbaar best naar zijn zin heeft. De knotszakpijp is goed te herkennen aan het rimpelige en leerachtige oppervlak. De kleur is meestal bruin maar kan ook geelgrijs tot roodbruin zijn, en de lengte kan zo’n 12 cm. bedragen. Knotszakpijpen zitten met een dunne dikwijls bijna onzichtbare steel aan een harde ondergrond bevestigd en vaak is het lichaam met kleine algen of kolonievormende zakpijpen bedekt. Op de in en uitstroomopening zijn, vooral aan de binnenkant, duidelijke donkere banden te zien. Nog een zakpijp die algemeen is in de Zeeuwse wateren, is de vuilwitte zakpijp. Deze stevige eivormige zakpijp kan een lengte van 13 cm. bereiken maar is meestal kleiner. De kleur van de vuilwitte zakpijp is vuilgrijs tot bruin en hij is meestal op beschutte plaatsen te vinden. De ronde zakpijp lijkt oppervlakkig wel wat op de vuilwitte zakpijp maar is kleiner en meer rond van vorm. Het oppervlak is bedekt met kleine haartjes waardoor het lijkt alsof deze zakpijp een vacht heeft. Tussen die vacht blijven meestal modder en zanddeeltjes steken wat de ronde zakpijp een modderige indruk geeft. De kleur van de ronde zakpijp is meestal grijs met soms een groenachtige waas. De zeebes is een kleine gedrongen zakpijp die je rechtopstaand of platliggend kunt aantreffen. Met een lengte van maar 2,5 cm. is het één van de kleinste niet kolonievormende soorten. De kleur van de zeebes is roodbruin en vaak is deze in groepjes te vinden. Bij deze soort kun je in de nazomer de larven op het lichaam van het ouderdier zien zitten alvorens deze een eigen stekje zoekt. Al deze zakpijpen leiden een solitair leven ook al komen ze dikwijls in kleine groepjes voor. Kolonievormende zakpijpen zul je daarentegen altijd bij elkaar vinden, en dikwijls zien ze er als één dier uit. Zo ook de druipzakpijp die dikwijls voor een spons wordt aangezien. De individuele dieren zitten in een verbindende massa en zijn slechts tot enkele mm. groot. Deze soort heeft de eigenschap om plakkaten te vormen en zodra de ondergrond ophoud in slierten naar beneden te groeien. Deze slierten hebben wel wat weg van het uitgelopen vet van een druipkaars en vandaar ook de naam. De druipzakpijp kom je vooral in de Oosterschelde tegen en dan vooral in het Zijpe. Het is een geïmporteerde soort die sinds 1991 aan een opmars bezig is, al lijkt daar nu een eind aan zijn gekomen. Een algemene soort in de Zeeuwse wateren is de paarse geleikorst waarvan de kolonies platte, vlezige overtrekjes over allerlei soorten stevig substraat vormen. De kleur is zeer variabel van zwart of groen tot bruin en geel, maar bij ons langs de kust meestal paarsblauw. De afzonderlijke dieren ook wel zoïden genoemd hebben een contrasterende kleur, vaak wit of geel,  ten opzichte van de structuur kleur. De individuele diertjes zitten in stervormige patronen die in groepjes van maximaal 12 rond een centrale uitstroomopening zijn gestationeerd. Een in de Oosterschelde op sommige plaatsen massaal voorkomende soort is de glanzende bolzakpijp. Deze zakpijp die in 1977 zijn intrede in de Oosterschelde deed is inmiddels ook in het Grevelingenmeer algemeen maar langs de rest van de kust nog niet waargenomen. De kolonie bestaat uit één of meerdere afgeplatte lobben die soms grijs of geelbruin tot oranje van kleur kunnen zijn. Een doorzichtige witte waas die over het lichaam ligt wordt gevormd door de uitstroomopeningen van de individuele zoïden die dicht op elkaar gelegen zijn. De zijkant en de basis van de glanzende bolzakpijp kolonie is veelal bedekt met sediment waadoor een modderige indruk kan ontstaan. Al deze zakpijpen kun je vanaf de laagwaterlijn tot dikwijls grote diepte tegen komen. Er zijn zelfs soorten die in het inter-getijdengebied voorkomen zoals de ronde zakpijp en de paarse geleikorst. Deze soorten kun je dus bij laag water op droog gevallen oevers vinden zonder een duik te hoeven maken. Vooral in de achter gebleven poeltjes zul je beide soorten veelvuldig tegen kunnen komen.

 

Als je een zakpijp goed bekijkt zul je misschien denken hoe dat het kan, dat dit dier dichter bij ons op de evolutionaire lader staat dan bijvoorbeeld de kreeftachtige of de weekdieren. De rede hiertoe is dat de larve, die op een kikkervisje lijkt, een korte tijd een chorda in de staart draagt. Bij volwassen dieren is deze echter geheel verdwenen en het enige wat ze dan ze dan nog enigszins op de andere chordaten laat lijken zijn de kieuwen. Zakpijpen zul je tijdens elke duik in het zoute water wel tegen komen. Belangrijk is als je de verschillende soorten wilt vinden en herkennen dat je weet waar en waarna je moet zoeken. Verzamel voor de duik informatie over de levenswijze van de desbetreffende soort en je zult deze gegarandeerd vinden en herkennen.

 

 

Vissen

 

 

Zoals bij de manteldieren al is gezegd bestaat het Phylum der chordata uit drie Subphylum. Het meest bekende Subphylum van die drie is die van de gewervelde waartoe de vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren (dus ook de mens) behoren. De kraakbeenvissen waar we het nu over gaan hebben zijn weer in dri Klasse op te delen, te weten de kaakloze,  en de beenvissen. Nu zullen wij ons alleen op de kraakbeen en de beenvissen richten al komen er ook kaakloze in de Noordzee voor. Kraakbeenvissen staan eigenlijk beter bekent onder de naam haaien en roggen. Dit zijn eigenlijk de Orde waarin de kraakbeenvissen weer in zijn onderverdeeld. Er zijn in de Klasse van de kraakbeenvissen overigens drie Orde, zoals gezegd de haaien en roggen en de chimares ook wel katvissen of draakvissen genoemd. De Orde van de chimares zul je langs onze kust niet snel tegen komen omdat deze dieren meestal grotere dieptes prefereren. Haaien daarentegen kun je wel degelijk in ons zoute tegen komen. Over het algemeen zijn dit soorten die geen bedreiging voor de mens vormen, al komen er in de zomermaanden wel enkele beruchte soorten in de Noordzee voor. Deze zijn echter zeer zeldzaam en de kans dat je er één tegen komt tijdens een duik is eigenlijk uitgesloten. Wel kun je op de Noordzeebodem en zelfs in de Zeeuwse wateren de hondshaai tegen komen al heb je hier ook een dosis geluk voor nodig. Jaarlijks komen er toch altijd wel een paar meldingen van waarnemingen binnen bij de diverse stichtingen die zich met dit soort zaken bezig houden. Gek genoeg komen de meeste meldingen van hondshaaien in Zeeland uit het Grevelingenmeer en dan meestal in de buurt van Ouddorp aan de noordzijde van het Grevelingenmeer. De hondshaai kan een maximale lengte van een meter bereiken maar is doorgaans kleiner. De kleur aan de rugzijde is grijsbruin tot beige met vele dicht opeen geplaatste donkere stippen die tot op de vinnen doorlopen. De onderzijde is grijswit van kleur en hier is ook te zien of het een mannetje of vrouwtje betreft. Wanneer er bij de buikvinnen twee korte penisachtige aanhangsels zijn te zien kun je met zekerheid zeggen dat het om een mannetje gaat. Deze twee aanhangsels zijn de geslachtorganen, ook wel claspers genoemd, waarmee hij het vrouwtje inwendig bevrucht iets wat bij de beenvissen zeer zelden voorkomt. Alle kraakbeenvissen planten zich op deze wijze voort en de chimares hebben soms zelfs nog een derde clasper op hun kop. Ook bij de roggen zijn deze claspers goed te onderscheiden, dus ook hier zijn de geslachten goed uit elkaar te houden. Er kunnen twee soorten regelmatig in onze wateren worden waargenomen ook al worden ze zelden door duikers gezien. Dit zijn de pijlstaartrog die je meer op de Noordzee moet zoeken en de stekelrog die ook in de Oosterschelde is aan te treffen. Vooral aan de zuidkant in de buurt van Wilhelminadorp kun je op de zandplaten met enige regelmaat een stekelrog aantreffen. Met zijn karakteristieke stompe snuit en de rug die met stekels is bezet is deze rog goed te herkennen. De stekels die over het midden van de rug en de staart heen lopen zijn groter en hebben een verdikte basis. De kleur is donkergrijs met een gemarmerde tekening. De pijlstaartrog zul je niet zo gauw tegen komen omdat dit dier zeer zelden in de Zeeuwse wateren voorkomt. Meer kans maak je daarom op de Noordzee waar ze tamelijk algemeen, maar ook zeer schuw zijn. De pijlstaartrog heeft een glad lichaam dat olijfgroen tot bruin van kleur is. Alleen de zeer grote exemplaren dragen een rij stekels op de rug. Kenmerkend voor deze soort is de tot 35 cm. lange getande stekel die in het eerste stuk van de staart aan de rugzijde is ingeplant. Aan de binnenkant van deze stekel zitten gleufjes waarin de gifklieren verborgen zitten. Wanneer de stekelrog zich bedreigt voelt slaat hij met zijn staart, die langer is dan het lichaam, naar zijn belager en plant baarbij de stekel in het lijf van zijn belager. Wanneer men door een stekelrog wordt gestoken zal de wond verschrikkelijk pijn doen en er kan zelfs een levensbedreigende situatie ontstaan. Maar zoals al eerder gezegd is de kans dat je deze dieren tegen komt erg klein dus daar hoef je jezelf niet druk over te maken. Anders is dat bij de Superklasse der beenvisachtige die je in grote aantallen in onze wateren kunt aantreffen. Ook de soortenrijkdom is veel groter dan die bij de kraakbeenvissen. Zo komen er alleen al langs onze kust meer dan tien Ordes voor uit deze Superklasse. Negen van die Orde zijn voor ons duikers vrij interessant en worden regelmatig in de Zeeuwse wateren gezien. De Orde van de aalachtige is in de Zeeuwse wateren vertegenwoordigd door de paling of aal. Dit is overigens dezelfde soort die we ook al in het zoete water aantroffen. Nu brengen palingen een groot deel van hun volwassen leven door in het zoete water maar na verloop van tijd keren ze terug naar zee. Na daar een tijdje in de kustwateren te hebben doorgebracht zal de paling na verloop van tijd toch naar de Sargassozee in het centrum van de Atlantische oceaan trekken om daar te paren, en daarna te sterven. Wanneer de paling aan deze trek vanaf het continentaal plat begint zal hij stoppen met eten. Het spijsverteringskanaal verschrompeld en maakt plaats voor de voortplantingsorganen. De larven drijven met de golfstroom terug naar de Europese kustgebieden, waar ze als glasalen de rivier op zwemmen. In de Zeeuwse wateren worden veelal de grotere exemplaren gezien die zich meestal tussen de stenen verschuilen. Vooral s’nachts zul je de paling vrij zwemmend over de bodem tegen kunnen komen. Een nauw verwante soort die je in de Noordzee tegen kunt komen, al is hij daar zeldzaam, is de zeepaling beter bekent als de kongeraal. Deze soms reusachtige palingachtigen wordt bij grote uitzondering nog wel eens op een wrak aangetroffen. Het is eigenlijk een heel grote paling, die wel een lengte van drie meter kan bereiken, met een grijs tot zwarte kleur en waarvan de buikvinnen ontbreken. Van de Orde der haringachtige is het vooral de 20 cm. grote ansjovis die in de zomer in soms grote scholen in de Oosterschelde worden aangetroffen. Vaak zwemmen ze dicht bij het oppervlak waar ze met hun zilverkleurige lichaam glinsteren in het zonlicht. Als duiker moet je wel meer naar boven kijken wil je de ansjovis zien anders zwem je nietsvermoedend onder een school door. Andere haringachtige zijn in de Zeeuwse wateren zeldzaam maar op de Noordzee kun je enkele andere soorten tegen komen al worden ze door duikers zeer zelden gezien. Deze soorten, of het nu om de haring gaat of de sprot, vormen bijna allemaal grote scholen die je soms tijdens een wrakduik op de Noordzee voorbij ziet trekken. Iidentificatie van deze soorten is bijna ondoenlijk omdat je jezelf niet op één dier kunt richten om deze te identificeren. Daarom zullen we het eigenlijk alleen maar bij de ansjovis laten en verder gaan met de volgende Orde, die van de kabeljauwachtige. Tot deze Orde behoort de Familie van de vorskwabben met als Nederlandse vertegenwoordiger de gewone vorskwab. Deze op een uit de kluiten gegroeide kikkervis gelijkende vis kan ongeveer 35 cm lang worden. De kleur van de rugzijde is donkerbruin met lila iriserende vlekken en de buik is vuilwit gekleurd. Aan de kin is een kort kindraadje te vinden en de voorste rugvin is gereduceerd in drie vinstralen. De achterste rugvin en de anaalvin zijn lang en lopen door tot de staart. Al is de vorskwab een niet erg algemene soort wordt hij toch regelmatig door duikers gezien. Zowel in de Oosterschelde als in het Grevelingenmeer kun je deze dieren tegen komen en dan vooral tijdens de nachtduiken. Nog een Familie uit de Orde der kabeljauwachtige is die van de meunen waarvan er enkele aan onze kust kunnen worden gevonden. Één daarvan, de vijfdradige meun, is het meest voorkomend terwijl de andere zoals de drie en de vierdradige meun zeer zeldzaam zijn langs onze kust. De vijfdradige meun ook wel gewone meun genoemd is een echte kustbewoner die alleen in de wintermaanden dieper water opzoekt. De vijfdradige meun heeft een langgerekt lichaam dat zo’n 30 cm. lang kan zijn. Kenmerkend voor alle meunen is de eerste rugvin die sterk gereduceerd is en in een soort gootje ligt. De tweede rug en anaalvin lopen, net als bij de vorskwab, door tot de staart en is overal even breed tot aan de afronding bij de staart. Een kenmerk waar de vijfdradige meun aan kan worden herkent zijn natuurlijk de vijf korte tastdraden die op de kop zijn geplaatst. Twee draden op de bovenlip en twee bij de neusgaten en één op de kin. De kleur is bruin tot donkerbruin met iets donkerdere wazige vlekjes. De buikzijde is blauwgrijs tot beige van kleur. De vijfdradige meun kun je dikwijls tussen de stenen en wieren dicht bij een zandbodem aantreffen. Vooral langs dijken aan de Noordzeekust en de Waddenzee is de vijfdradige meun een regelmatig verschijning tussen de stenen van de dijk, maar ook in de Oosterschelde kun je deze dieren soms tegen komen. Meestal is dit dan in het westelijke deel van de Oosterschelde waar nog een redelijke werking van de getijden aanwezig is. De laatste Familie uit de Orde van de kabeljauwachtige die je langs onze kust kunt aantreffen is die van de kabeljauwen. De meest bekende soort uit deze Familie is natuurlijk de gewone kabeljauw die we allemaal wel van bij de viswinkel kennen. Meestal zie je ze daar in weinig indruk makende moten of filet liggen, maar de levende dieren zijn vaak zeer indrukwekkend. Volwassen dieren kunnen toch al gauw een lengte van meer dan een meter bereiken en uitschieters van meer dan anderhalve meter zijn echt geen uitzondering al worden ze wel steeds zeldzamer door de intensieve visvangst. De kabeljauw heeft een langgerekt lichaam met drie rugvinnen, twee anaalvinnen en één kindraad. Karakteristiek voor de kabeljauw is de witte zijlijn die onder de eerste rugvin een bocht naar boven maakt. De kleur is bronskleurig tot groenbruin met iets donkerdere vlekken en met een witte buik. Volwassen dieren worden alleen in de Noordzee aangetroffen maar de jonge dieren kun je ook in de Oosterschelde aantreffen. Deze jonge dieren worden ook wel gullen genoemd en zijn meestal wel bij de wrakken die in de Oosterschelde en dicht langs de kust liggen te vinden. Oudere dieren lijken meer tussen de wrakken op en neer te trekken die in het diepere water van de Noordzee zijn te vinden. Dus als je eens een keer een wrakduik op de Noordzee wilt gaan maken moet je niet gek opkijken als je ineens oog in oog met een kabeljauw van een meter lengte zwemt. Nog een soort van deze Familie is de pollak. Die wel wat op de kabeljauw lijkt. Hij is wat kleiner tot 120 cm. en mist de kindraad die de kabeljauw wel heeft. Verder is bij de pollak de onderkaak een stuk langer dan de bovenkaak en steekt daardoor uit. De kleur is op de rug donkerbruingroen met  bronskleurige flanken en een wittige buik. Ook de zijlijn van de pollak maakt net als bij de kabeljauw een bocht naar boven bij de eerste rugvin, maar de bocht is scherper en de zijlijn is donker van kleur. Van de pollak worden in de Oosterschelde vooral de jonge dieren  door duikers gezien. Deze jonge dieren hebben net als de volwassen dieren een bronsachtige kleur maar met duidelijke witte vlekken. Volwassen pollaks kun je meer in de Noordzee tegen komen, maar ook deze worden wel eens door duikers dicht bij de kust gezien. Één van de mooiste en meest voorkomende soorten uit de Familie der kabeljauwachtige is de steenbolk. Vooral op de wrakken in de Noordzee is het meestal deze soort die je tegen zult komen en dan vooral de grotere exemplaren. Kleinere steenbolken worden regelmatig in de Oosterschelde waargenomen. Het is een soort die dieper water prefereert en dus zelden in de getijdenzone wordt gezien. Alleen in de paartijd zal de steenbolk water met een geringere diepte opzoeken om kuit te schieten. Het is een vis die je gemakkelijk zult herkennen aan zijn 4 of 5 verticale donkere strepen die over de kaneelkleurige rug en gele flanken lopen. Wanneer het donker wordt zal de steenbolk echter ook donkerder van kleur worden. Verder heeft de steenbolk, net als de andere kabeljauwachtige, drie rugvinnen en twee anaalvinnen die anders dan bij de vorige soorten tegen elkaar aanliggen. Ook een kindraad is aanwezig en voor de aanzet van de borstvinnen is een zwarte vlek te zien. De steenbolk kan tot 40 cm. lang worden maar de exemplaren in de Oosterschelde zijn meestal niet groter dan 30 cm.. Veel gelijkend op de steenbolk is de dwergbolk of lodde die je soms langs de kust kunt aantreffen. Het lichaam is minder hoog en maximaal 28 cm. lang. Ook mist hij de donkere vlek bij de borstvinnen en de strepen die voor de steenbolk karakteristiek zijn. De dwergbolk is een vis die eigenlijk meer voor de open zee kiest dan voor de kustgebieden, toch maak je kans ze wel een dicht bij de kust tegen te komen. Meestal zijn dit jonge dieren die een lengte van niet meer dan 15 cm. hebben. Verder kun je langs onze kust nog enkel andere soorten uit deze Familie tegen komen, maar deze worden zelden of nooit door duikers waargenomen, omdat ze zich zelden dicht bij de kust wagen. Dit zijn de wijting, schelvis en koolvis die de meeste ook wel van de viswinkel kennen. Uit de Orde van de harderachtige kunnen twee soorten langs onze kust aantreffen. Beide komen uit dezelfde Familie, die van de harders. De diklipharder is de meest voorkomende soort. De andere soort is de dunlipharder maar deze is veel zeldzamer. Beide harders gelijken sterk op elkaar waardoor identificatie van de soorten zeer moeilijk is en waarbij alleen de vorm van de bek een goed herkenning middel is. de bovenlip van de diklipharder steekt iets voor de onderlip uit en is veel dikker. Bij de dunlipharder zijn de boven en onderlip bijna gelijk. Verder hebben ze beide een torpedoachtig lichaam met twee korte rugvinnen. De eerste rugvin is gestekeld en telt maar vier vinstralen. Door de grove schubben lijkt het net of harders een netje om hun lichaam hebben waarop lengtestrepen zijn te zien. Dit is bij alle harders het geval terwijl de kleur ook vaak het zelfde is. Zo ook bij de diklip en de dunlipharders, beide hebben een rug die donkergroen tot blauwachtig van kleur is. De flanken zijn lichter van kleur, blauw zilverkleurig bij de diklipharder en staalblauw tot zilver bij de dunlipharder. Beide soorten kunnen een lengte van ongeveer 75 cm. bereiken, maar de exemplaren die we hier langs de kust tegen komen zijn meestal iets kleiner. Zowel de diklip als de dunlipharder kun je in de zomermaanden zeer dicht onder de kust aantreffen. Vooral ondiep water met een zachte bodem die begroeid is met wieren zijn de beste stekken om ze tegen te komen. Let er wel op dat deze planktoneters zeer schuw zijn en zich niet dicht laten naderen. In de Orde van de aarvissen is maar met één Familie en één soort vertegenwoordigd langs onze kust. Dit is de koornaarvis die je vooral tijdens nachtduiken veelvuldig tegen komt als ze stil op de bodem liggen of in het water zweven. Dit kleine visje dat hooguit 20 cm. lang kan worden is zilverachtig met soms een blauwe glans van kleur. Over de flank die vaak iets donkerder is, loopt een karakteristieke zilveren band. De koornaarvis bezit twee duidelijk gescheiden rugvinnen en de staartvin is gevorkt. Tijdens de paartijd die in juni en juli is worden de eieren met hechtdraden aan wieren, stenen en zand afgezet waarna er verder niet naar wordt omgekeken. Anders is dit in de Orde van de stekelbaarsachtige waar wel broedzorg valt te bespeuren. Wel is het altijd het mannetje dat deze taak toe bedeelt krijgt. In de Familie van de stekelbaarzen is het vooral de driedoornige stekelbaars die je tijdens de paaitijd goed kunt observeren. Vooral sommige stekken langs het Grevelingenmeer lijken dan overbevolkt te zijn met deze soort. In de wierzone bouwen de mannetjes een nest van plantaardig materiaal waarna een vrouwtje gelokt wordt om vervolgens haar eieren in het nest te leggen die het mannetje daarna bevrucht. De driedoornige stekelbaars is de zelfde soort die je vroege veelvuldig in de sloten in onze polders kon aantreffen maar daar nu bijna niet meer voorkomt. Zoals je ziet kan dit visje dus in beide soorten water leven, en wat opmerkelijker is, zich er ook nog voortplanten. Het is een klein visje van maximaal 12 cm., en waarvan de mannetjes altijd kleiner dan de vrouwtjes zijn. De driedoornige stekelbaars heeft een langwerpig lichaam met op de rug een tot drie stekels gereduceerde eerste rugvin. Zilverkleurig me een donkere rug is het normale kleed van de driedoornige stekelbaars, maar tijdens de paaitijd krijgt het mannetje een ander kleed. De borst en buik worden dan roodoranje terwijl de rug en kop blauw worden. Buiten de paartijd zijn de driedoornige stekelbaarsjes bijna niet te zien omdat ze nu verspreid langs de kust leven. Anders is het met de iets grotere zeestekelbaars die ook langs onze kusten voorkomt. Deze soort leeft in zeegrasvelden, maar sinds deze bijna zijn verdwenen is ook de zeestekelbaars een zeldzame verschijning. De zeestekelbaars heeft een langwerpig lichaam met een spitse kop en een lange dunne staart. De eerste rugvin is gereduceerd in 14 tot 17 korte stekels terwijl de tweede rugvin en de anaalvin recht tegenover elkaar liggen. Het gedrag tijdens de paartijd is zowat gelijk als dat van de driedoornige stekelbaars, met dit verschil dat het wijfje niet lang na het afzetten van de eieren sterft. Een Familie uit de Orde der stekelbaarsachtige die wel veelvuldig wordt gezien door duikers is die van de zeenaalden. Zo is de grote zeenaald een algemene verschijning die een lengte van 50 cm. kan hebben, maar meestal kleiner wordt aangetroffen. De kleur is grijsbruin tot groenachtig met lichte verticale banden en een grijs strepenpatroon. Jonge dieren hebben een meer egaal grijsbruine kleur en missen meestal de verticale banden. De kop heeft een lange dunne snuit die bedoelt is om kleine kreeftachtige uit het plankton te plukken. Er is één rugvin te vinden die ongeveer in het midden van het lichaam is gelegen en een kleine afgeronde staartvin. Nog een zeenaald die regelmatig door duikers wordt gezien is de adderzeenaald. Dit is tevens de grootste soort die langs de Europese kusten voorkomt. Met een lengte van wel 65 cm. is dit een echte reus onder de zeenaalden, maar meestal worden ze veel kleiner aangetroffen. Het is ook één van de mooiste zeenaalden met een lichtbruin lichaam waarop een groot aantal verticale blauw iriserende streepjes te vinden zijn die aan beide zijde worden geflankeerd door een donkere streep. De staart van de adderzeenaald loopt uit in een spitse punt met een zeer kleine staartvin en net als bij de grote zeenaald is de rugvin ongeveer in het midden van het lichaam te vinden. Borstvinnen ontbreken bij deze soort geheel en ook de snuit van de adderzeenaald loopt uit in een buisachtige snuit. Wanneer je een zeenaald goed bekijkt zul je zien dat ze veel op zeepaardjes lijken die ook tot deze Familie behoren. En ook hiervan komen er twee soorten langs onze kust voor. Dit zijn het kortsnuit en het langsnuitzeepaardje. Beide soorten zijn eigenlijk zeer zeldzaam al zijn ze wel inheems. Het kortsnuitzeepaardje wordt echter pas sinds 1995 af en toe door duikers in de Zeeuwse wateren aangetroffen. Beide soorten gelijken op elkaar met dit verschil dat de snuit van het kortsnuitzeepaardje korter is dan bij de andere soort en er minder vlezige aanhangsels op de rug zijn te vinden dan bij het langsnuitzeepaardje. De kleur van de zeepaardjes die je langs onze kust kunt vinden is vaak lichtbruin of grijsbruin en soms zelfs groenachtig. Meestal vallen ze niet op omdat ze perfect zijn gecamoufleerd en bijna niet bewegen. Meestal zijn ze in de karakteristieke verticale houding tussen de wieren te vinden waar ze zich met hun opgerolde staart vasthouden. Beide soorten zeepaardjes zijn overigens dwaalgasten die je alleen in de zomermaanden in de Oosterschelde tegen kunt komen. Een interessant weetje is dat in de Familie van de zeenaalden waartoe dus ook de zeepaardjes behoren de mannetjes zwanger worden. Het vrouwtje deponeert haar eitjes in een speciale broedbuidel die bij het mannetje aan de buikzijde is gelegen. Wanneer de eitjes in de broedbuidel zitten bevrucht het mannetje ze en bewaart ze in die buidel tot ze uitkomen. Dus mocht je zwangere dieren uit deze Familie tegen komen of wanneer je getuigen mocht zijn van de geboorte van zeenaalden of zeepaardjes dan weet je zeker dat het ouderdier een mannetje betreft. Ook uit de Orde van de schorpioenvisachtige kun je enkele Families tegen komen, echter de Familie van de echte schorpioenvissen ontbreekt hier. Wel zijn hier vertegenwoordigers uit de Familie van de ponen die ook tot deze Orde behoren. Vooral de grauwe poon wordt in de zomermaanden regelmatig langs onze kust aangetroffen. Het is een tamelijk slanke vis met een spitse kop. De kleur is meestal grijsbruin met lichte vlekken, maar variaties van lichtbruin tot grijzig rood komen ook voor. Wanneer ponen opgeschrikt worden spreiden ze hun borstvinnen die dikwijls fel gekleurde banden hebben. Zo kan dit ook het geval zijn bij de grauwe poon die dikwijls smalle lichtblauwe bandjes op de borstvinnen heeft. Karakteristiek voor ponen zijn de eerste drie vinstralen van de borstvinnen die van de rest los zijn en waarmee de ponen lijken te lopen over de bodem. Eigenlijk zijn deze vinstralen omgevormd tot tastorganen waarmee de poon de bodem aftast naar voedsel die uit kleine bodemdieren bestaat. Meer algemener is de Familie van de donderpadden waarvan er twee soorten langs onze kust kunnen worden gevonden. Ten eerste de zeedonderpad die je eigenlijk overal kunt aantreffen waar dijken en/of strekdammen zijn waar hij zich tussen de stenen kan verbergen. Het is een vis met een brede afgeplatte kop die bezet is met stekels, en die bij ons 35 cm. lang kan worden. Op het lichaam zijn geen schubben aanwezig maar deze wordt bedekt met beenplaten. De kleur van de zeedonderpad is donkerbruin of bijna zwart tot grijsgroen of roodbruin met een gele onderzijde bij mannetjes en een oranje bij vrouwtjes. In de paaitijd zal de buik van het mannetje echter dieprood en bij het vrouwtje wat feller oranje gekleurd zijn. De andere soort is de groene zeedonderpad die wat kleiner is dan de zeedonderpad. Het vrouwtje kan nog een lengte van 25 cm. bedragen maar het mannetje wordt niet groter dan 12 cm.. Deze soort lijkt in veel opzichte op de zeedonderpad maar is toch goed te onderscheiden. De groene zeedonderpad heeft namelijk in de mondhoeken 1 of 2 vlezige huidflapjes die bij de zeedonderpad ontbreken. Ook is de basiskleur veel lichter groenbruin met donkere dwarsbanden, maar er kunnen ook exemplaren met en donkerrode basiskleur of een rood/wit gevlekt uiterlijk kunnen worden gevonden. Ook is het leefgebied het zelfde als dat van de zeedonderpad, alleen komt die ook boven den Helder ook nog veelvuldig voor terwijl de groene zeedonderpad daar nagenoeg ontbreekt. Een Familie die wel wat op die van de donderpadden lijkt is die van de harnasmannetjes, die met één soort vertegenwoordigd is langs onze kust. Dit is het harnasmannetje die je veelal op zandbodems kunt vinden, terwijl oudere dieren ook wel op slibbodems zijn te vinden. Dit visje kan 20 cm. lang worden maar bereikt deze lengte in Nederland zelden. Meestal worden ze hier niet groter dan 15 cm. gevonden. Het lichaam is smal en afgeplat en net als bij de donderpadden bedekt met beenplaten. Het kop-borstgedeelte is duidelijk dikker en breder dan de rest van het lichaam en op het puntje van de snuit zijn vier stompe stekels te zien. Aan de onderzijde bij de mond zijn een groot aantal korte tastdraden te vinden waarmee hij de bodem aftast naar kleine bodemdieren waarmee hij zich voedt. De kleur van het harnasmannetje is groenbruin met vier donkere dwarsbanden in een gemarmerd patroon. De laatste Familie uit deze Orde die je langs onze kust kunt aantreffen is die van de snotolven met twee vertegenwoordigers. Ten eerste de meest bekende, de snotolf, een stevige vis met een plomp uiterlijk, die een lengte van 60 cm. kan bereiken al zijn de mannetjes wel wat kleiner. Het is een vis die alleen tijdens de paartijd, die in het vroege voorjaar valt, dicht langs de kust kan worden gevonden. In deze periode komen zowel de vrouwtjes als de mannetjes naar de kust die hier een nest te bouwen. Als een mannetje een nest heeft zal hij een vrouwtje proberen te verleiden om haar eitjes in zijn nest af te zetten. Daarom moet hij er dan op zijn best uitzien en krijgt daarom zijn bruidskleed. De normale kleur van de snotolf is helderblauw tot blauwgrijs maar tijdens de paartijd worden de mannetjes donkerblauw met een oranjerode buik. De dikke lippen en vinnen, die bij oudere dieren met huid zijn begroeid, zijn rood van kleur en steken scherp af. Karakteristiek voor deze Familie zijn de tot zuignap omgevormde buikvinnen die de snotolf ook bezit. Hiermee kan hij zich verankeren als de stroming te sterk wordt. Ook het andere familielid die langs onze kust kan worden gevonden heeft dus zo’n zuignap. Dit is de slakdolf die wel wat op een groot kikkervisje lijkt. Deze soort komt alleen in de wintermaanden dicht onder de kust om de eieren af te zetten en verdwijnt dan bijna direct weer naar dieper water. Het is dus een zeldzame verschijning die de meeste duikers onder ons niet gauw tegen zullen komen. Anders is dit met de meeste soorten die je uit de Orde van de baarsachtige tegen kunt komen. ook al komen sommige soorten uit deze Orde hier, net als de slakdolf, alleen op bepaalde tijden, worden ze toch veel meer waargenomen. Zo is de zeebaars uit de Familie van de zeebaarzen in de zomermaanden een normale verschijning in de Oosterschelde. In de wintermaanden trekken ze terug naar het zuiden van de Britse eilanden om daar te overwinteren. Het is een vis die een meter lang kan worden maar meestal kleiner is. De rug is grijsachtig met een groene waas terwijl de flanken zilverkleurig zijn en de buik wit. De twee rugvinnen zijn gescheiden van elkaar en de eerste rugvin heeft 8 tot 9 duidelijke stekels. De zeebaars is een agressieve, snelle roofvis die jacht maakt op vooral scholenvissen zoals de haringachtige maar ook op inktvissen, kreeftachtige en wormen wordt gejaagd. Een andere Familie in deze Orde is die van de lipvissen waarvan er hier één soort kan worden gevonden. Dit is de zwartooglipvis die je de laatste jaren regelmatig tegen kunt komen in de wierzone van de Oosterschelde. Het is een immigrant die oorspronkelijk lang de rotskusten van het Kanaal en de Atlantische oceaan voorkomt maar die sinds enkele jaren ook hier is te vinden. Het is een kleurrijke vis waarvan vooral het mannetje een uitbundig kleed heeft, en dan vooral tijdens de paaitijd. Het lichaam is blauwachtig groen tot roodbruin met dikwijls vage dwarsbanden. Op de rugvin zijn veel groenblauwe vlekken en stippen te zien en de kop heeft een prachtige blauwe tekening. Achter het oog is een niervormige donkere vlek te vinden en ook op de staartwortel is een vage zwarte vlek te zien. Het vrouwtje daarentegen heeft een meer geelbruine kleur en mist de blauwe tekening op de kop. Zwartooglipvissen kunnen zo’n 25 cm. lang worden maar meestal zijn ze niet veel groter dan 15 cm.. Net als de Familie van de lipvissen is ook die van de puitalen ondergebracht in de Orde der Baarsachtige. Uit deze Familie is er één soort die je algemeen langs onze kust kunt aantreffen. Dit is de puitaal een aalachtige vis die een maximale lengte van 50 cm. kan bereiken. De kop die fors is, heeft een brede bek met vlezige lippen en het lichaam is slijmerig en bedekt met kleine schubben. De kleur is zandkleurig met een donker vlekken en strepen patroon. Vaak is er ook een rij vlekken op de rug te vinden die in de rugvin overlopen en daar banden vormen. De rug en anaalvin lopen over in de staartvin en er is een inkeping in de rugvin vlak voor de staart te vinden. De borstvinnen hebben gele randen die in de paartijd bij het mannetje vuurrood kunnen worden. De puitaal is een eierlevendbarende vis waarvan de jonge tussen januari en maart geboren worden. Eierlevendbarend wil zeggen dat de eitjes al in het lichaam uitgekomen zijn en er bij de geboorte al redelijk ontwikkelde larven te voorschijn komen. Anders is dit bij de botervisjes die ook met hun Familie bij de baarsachtige zijn ingedeeld. Zij leggen wel eitjes in een nest, en dit legsel wordt door beide ouderdieren bewaakt. Ook het veelvoorkomende botervisje heeft net als de puitaal een aalachtig en slijmerig lichaam. Wel is het lichaam meer zijdelings afgeplat en is de kop kleiner dan die van de puitaal. De lichaamslengte van het botervisje kan zo’n 25 cm. bedragen maar is meestal iets kleiner. De rugvin is over de volle lengte van het lichaam te vinden met aan de basis 9 tot 15 donkere vlekken die met lichte randen omzoomt zijn. De anaalvin is half zo lang als de rugvin die beide los staan van de kleine staartvin. De basiskleur is donkerbruin met lichtere flanken waarop onregelmatige dwarsbanden zijn te vinden. Het botervisje en de puitaal kun je eigenlijk op elke ondergrond tegen komen al gaat hun voorkeur uit naar met wieren begroeide stenen waartussen ze zich kunnen verbergen. Ook de gehoornde slijmvis kun je in die omgeving aantreffen al is hij een zeldzaamheid. Deze vis uit de Familie van de slijmvissen is ook weer bij de baarsachtige ingedeeld en is maar met één soort vertegenwoordigt langs onze kust. Deze tot 30 cm. lange vis heeft boven de beide ogen opvallende vertakte pluimpjes waaraan hij goed te herkennen is. De kleur loopt uiteen van roodbruin tot grijsbruin, met min of meer duidelijke donkere dwarsbanden, maar ook egaal roodbruine exemplaren kunnen worden gevonden. De gehoornde slijmvis heeft één rugvin die over de gehele rug loopt en die net voor het midden hoger wordt. En net als alle leden uit deze Familie heeft de gehoornde slijmvis een schubloos lichaam. Dit visje is sterk territorium gebonden en blijft zelfs in zijn gebied als dit met laag water droog valt. Meestal verblijft hij dan in een poeltje verborgen onder wieren of een steen. De meeste kans om een gehoornde slijmvis tegen te komen maak je echter op de Noordzee en dan vooral de zuidelijke wrakken. Het is op deze wrakken waar ze het meest worden gezien terwijl ze in de zuidelijke deltawateren nog maar sporadisch voorkomen, maar ook hier is de laatste jaren een gestaagde groei te zien van deze soort. Nog een Familie uit de Orde van de baarsachtige is die van de pitvissen waarvan er twee soorten langs onze kust kunnen worden aangetroffen. Dit zijn het draakje en de pitvis die ook wel liervis wordt genoemd. Het draakje is de meest zeldzame van de twee en lijkt veel op de pitvis. Het enige goede kenmerk is de eerste rugvin die bij beide soorten even hoog is, maar bij het draakje is alleen de eerste vinstraal hoger dan de tweede rugvin terwijl bij de pitvis meerdere vinstralen hoger zijn. Die eerste verlengde rugvin komt echter alleen bij de mannetjes voor zodat de identificatie van de vrouwtjes van beide soorten moeilijker is. Ook is het draakje kleiner en kan daardoor gemakkelijk met jonge exemplaren van de pitvis worden verward. De meest voorkomende pitvis kan een lengte van 30 cm. bereiken terwijl de vrouwtjes iets kleiner blijven. Het is een slanke vis met een afgeplatte driehoekige kop, een schubloos lichaam dat zandkleurig is met blauwe of bruine vlekken. Het mannetje heeft blauwe tot blauwgroene strepen en vlekkenpatroon dat in de vinnen doorloopt. Het leefgebied van de pitvis zijn vooral zandbodems, waarin ze zich meestal ingraven, wachtend tot er een prooi voorbij komt. Hierdoor worden ze niet veel gezien, maar dit wil niet zeggen dat ze er ook niet zijn. Langs de Noordzeekust en in het westelijke deel van de Oosterschelde kun je deze mooie vis regelmatig tegen komen, terwijl hij in het oostelijke deel  van de Oosterschelde en in het Grevelingenmeer zeer zeldzaam is. De laatste Familie uit de Orde van de baarsachtige die je langs onze kust kunt aantreffen is die van de grondels. Er komen twee soorten vrij regelmatig voor en deze worden dan ook meestal door duikers gezien. Dit zijn het dikkopje en de zwarte grondel die beide veelvuldig in de Zeeuwse wateren kunnen worden gevonden. Langs de rest van de kust is de zwarte grondel echter een zeldzaamheid en wordt hier dan ook sporadisch aangetroffen. Anders dan de naam zou doen denken is de zwarte grondel niet zwart gekleurd maar bruin tot donkerbruin gevlekt met een grijsbruine buik. Het vrouwtje is meestal lichter gekleurd en de eerste puntige rugvin is korter dan die bij de mannetje. Een brede kop met dikke wangen en lippen, en de ogen hoog op de kop, maken deze soort goed herkenbaar. De zwarte grondel kan zo’n 18 cm. lang worden, maar meestal zul je hier iets kleinere exemplaren tegen komen. Meestal zijn zwarte grondels op een zand of slibbodem en in zeegrasvelden te vinden maar ook tussen de stenen kan hij worden aangetroffen. Vooral in de paartijd zijn ze veelal tussen de stenen aan te treffen, alwaar ze hun eieren afzetten. Ook lege schelpen en zelfs lege conservenblikjes en flessen worden vaak als nestplaats gebruikt, en bewaakt door het mannetje. Ook het mannetje van het dikkopje neemt de zorg van het legsel op zich. Ook hij bewaakt de eieren die op een harde ondergrond zijn afgezet. Het dikkopje is een veel voorkomende visje maar wordt vaak door duikers over het hoofd gezien. Meestal komt dit doordat deze visjes een geringe grote hebben van ongeveer 10 cm. en doordat ze een goede schutkleur hebben. De basiskleur is zandkleurig met enkele roestkleurige vlekken en een tekening van talloze donkere streepjes en vlekjes. Aan de basis van de staartwortel is een zwarte vlek te zien waardoor deze soort goed te herkennen is en zo niet met andere soorten grondels kan worden verwisseld. Het leefgebied van de dikkopjes is van het intergetijdengebied tot zo’n 40 m. diepte boven een zand of slibbodem, met her en der harde voorwerpen zoals stenen die in het leefgebied liggen. De laatste Orde uit de Klasse van de beenvissen die we onder de loep zullen nemen is die van de platvissen. Dit zijn geen roggen zoals vele denken maar normale beenvissen waarvan de kop eigenlijk een kwartslag is gedraaid. Bij de larven van de platvissen staan de ogen nog normaal aan beide zijde van de kop net als bij gewone vissen. Na een tijdje zal of het rechter of het linker oog (dit is afhankelijk van de familie) naar de andere zijde draaien. Wanneer beide ogen aan één kant van de kop staan zal de larve de bodem opzoeken en daar een groot deel van zijn leven slijten. Er zijn langs onze kust drie Families die je regelmatig tegen kunt komen. Ten eerste de Familie van de tarbotten die de ogen aan de linkerzijde geplaatst hebben, en de Families van de schollen en de tongen die de ogen aan de rechterzijde hebben. Nu zijn er soms uitzonderingen op deze regel dat de ogen links of rechts zijn geplaatst, zodat het geen 100% herkenningsmiddel is. Van de vertegenwoordigers van de tarbotten kun je twee soorten langs onze kust vrij algemeen aantreffen. Dit zijn de tarbot en de griet. De tarbot is een flink vis die een lengte van een meter kan bereiken, maar de exemplaren die duikers meestal dicht langs de kust vinden zijn veel kleiner. Het betreft hier dan ook meestal jonge dieren. De tarbot heeft een plat rond schubloos lichaam waarop wel talloze beenknobbeltjes aan de bovenzijde zijn te vinden. De kleur is zeer variabel en kan worden aangepast aan de ondergrond en kan uiteen lopen van grijsbruin en olijfgroen tot donkerbruin of zandkleurig, dikwijls met donkere stippen en vlekken. Tarbotten kun je op tal van bodemsoorten tegenkomen zoals zand, grind, kiezel en schelpengruisbodems. Ook de griet kun je daar aantreffen al is deze soort niet zo talrijk als de tarbot. De griet is kleiner dan de tarbot met een maximum lengte van 75 cm. maar ook van deze soort zijn het vaak de kleinere exemplaren die langs onze kust gevonden worden. Het lichaam van de griet is platter en ovaler dan dat van de tarbot maar ook net als bij de tarbot met beenknobbeltjes bedekt. Ook de kleur is bij de griet zeer variabel maar bijna altijd met een groot aantal kleine donkere stipjes en vlekjes. Iets waaraan de griet goed te herkennen is zijn de eerste vinstalen van de rugvin die los van elkaar gescheiden staan zodat de indruk van een borstel wordt gewekt. Net als de meeste soorten uit de andere Families zijn de tarbotten echte bodembewoners die je zelden door het open water zult zien zwemmen. Anders is dit in de Familie van de schollen waarvan er soorten zijn die in het open water op jacht gaan naar prooi. Ondermeer de reus uit deze Familie heeft deze jachtmethode en jaagt op palagische vissen. Nu zullen wij de heilbot die met gemak een lengte van 4 meter kan bereiken niet snel langs onze kust tegen komen. Wel is dit het geval met de schol die soms veelvuldig door duikers worden gezien. Dit is één van de meest bekende platvissen die goed te herkennen is aan zijn soms rozet-vormige oranje vlekken die over het lichaam verspreid liggen. Al kan de schol een lengte van een meter bereiken zul je zulke grote exemplaren niet gauw langs onze kust aantreffen. Met 30 cm. zijn het langs onze kust al de flinke exemplaren die dan ook al vrij zeldzaam zijn. Doordat de schol zich meestal ingraaft en de basiskleur meestal hetzelfde is als de bodem vallen ze dikwijls niet op. Toch is de schol één van de meest voorkomende platvissen die je langs onze kust kunt aantreffen, al kan dat per jaar nogal wisselen. Ook de schar is een lid van de Familie van de schollen en lijkt ook wel op de schol. Het enige waaraan je met zekerheid kunt zien dat het een schar betreft is de zijlijn die bij de borstvin een scherpe boog maakt. Ook missen de meeste scharren de oranje vlekken die bij de schollen altijd aanwezig zijn. Meestal hebben scharren lichte en donkere vlekken over hun lichaam verspreid dat zelf licht tot donkerbruin van kleur is. Nog een sterk op deze soorten gelijkende soort uit deze Familie is de bot. Ook deze soort heeft meestal oranje vlekken maar in tegenstelling tot de schol ontbreken ze altijd op de vinnen. Verder is bij de bot aan beide zijde van de zijlijn een rij benige plaatjes te zien die bij de beide andere soorten ontbreken. In deze Familie zijn het vaak de kleine details die de soorten onderscheiden wat herkenning vaak niet eenvoudig maakt. Nu zullen de meeste platvissen niet snel weg zwemmen omdat ze volledig op hun schudkleuren vertrouwen. Dus veel platvissen zullen er geen probleem mee hebben wanneer je ze grondig inspecteert, mits je dit alleen met je ogen doet. Zo ook de Familie van de tongen waarvan er één regelmatig langs onze kust kan worden waargenomen. De tong is een langgerekte ovale platvis die je meteen zult herkennen aan zijn vorm. De kop is afgerond waaruit de bek iets vooruit steekt. De bek is als een naar beneden gebogen komma. De kleur van de tong loopt uiteen van grijsbruin tot donkerbruin met onregelmatige stippen en vlekjes. Al kan de tong een lengte van 75 cm. behalen, worden ze zoals de meeste andere platvissen van een kleiner formaat langs onze kust aangetroffen. Al komen ze langs de gehele kust voor zul je de tong in het Grevelingenmeer zeer zelden tegen komen. De andere soorten zijn sinds de sluis langere tijd open staat weer in redelijke aantallen in het Grevelingenmeer te vinden, al hebben ze de stand van voor de afsluiting nog lang niet geëvenaard.

 

Vissen kun je eigenlijk elke duik in het zout water tegen komen, al is het in de wintermaanden wat minder drukbevolkt. In die periode zijn het dan ook meestal de soorten die met de broedzorg bezig zijn die worden gezien. In het voorjaar zullen de meeste vissen die de winter in dieper water doorbrachten naar de kust trekken om daar de zomermaanden door te brengen. Dit zijn dan ook de maanden dat er vissen in overvloed zijn te vinden. Nu is het niet zo dat je dan ook tijdens elke duik zowat alle vissen die hier leven tegen zult komen. Maar wanneer je op de plaatsen gaat zoeken die aan de eisen van de desbetreffende vissen voldoen zul je ze bijna zeker tegen komen. Met de zeldzamere soorten zoals de hondshaai of het zeepaardje heb je gewoon heel veel geluk mocht je ze een keer tegen komen.

 

 

Zoogdieren

 

 

Hoewel zeezoogdieren door duikers bijna nooit in onze wateren worden aangetroffen tijdens het duiken wil nog niet zeggen dat ze er niet zijn. Twee soorten zeehonden en enkele soorten walvissen komen in de Noordzee voor, al zijn de walvissen er niet in grote aantallen aan te treffen. Van de twee soorten zeehonden is de gewone zeehond het meest voorkomend en kan de grijze zeehond eigenlijk meer als een dwaalgast worden beschouwd. De grijze zeehond is veel groter dan de gewone zeehond en de snuit is bij de grijze zeehond ook langer. Het profiel van de kop van de grijze zeehond is daardoor plat terwijl dat van de gewone zeehond rond is. De gewone zeehond wordt vooral in de Waddenzee aangetroffen, maar ook op de zandplaten voor de kust van Zuid-Holland en in de Zeeuwse delta zijn populaties aanwezig. Nu zijn zeehonden zeer schuw en zullen ze duikers meestal mijden, maar een onverwachte ontmoeting in de Oosterschelde of het Grevelingenmeer is echter nooit uit te sluiten. De meeste kans maak je om deze dieren van dichtbij te zien door te gaan snorkelen. Ook dan is het geluk hebben maar de dieren worden nu niet door de luidruchtige bellen die je normaal tijdens het duiken hebt verstoort. Ook de walvissen zijn gemakkelijker met een snorkeluitrusting te observeren, alleen laten deze dieren zich meestal nog moeilijker benaderen dan de zeehonden. Van de walvissen zijn de dolfijnachtige (tandwalvissen) het meest talrijk in onze kustwateren. Zo is de bruinvis één van de meest voorkomende dolfijnachtige die je in de Noordzee kunt aantreffen. Het is tevens ook de kleinste soort die hier te vinden is. De lengte is zelden groter dan 2 meter. De bruinvis is gemakkelijk te herkennen doordat hij de lange snuit mist die voor de dolfijnen karakteristiek is. Hierdoor heeft hij een afgeronde kop wat hem een torpedoachtig uiterlijk geeft. Enkele andere soorten die in de Noordzee kunnen worden aangetroffen zijn de tuimelaar die bekent is van de dolfinariums en de gewone dolfijn en grijze dolfijn. Deze soorten komen echter maar zelden dicht bij de kust en worden daardoor zelden waargenomen. 

 

Wanneer je een zeehond of een dolfijn dicht langs de kust ziet zwemmen moet jezelf je geluk beproeven door te gaan snorkelen. Talloze keren zullen de dieren dan weg zwemmen tot er een keer één nieuwsgierig wordt en eens een kijkje bij je komt nemen. Maak in zo’n geval geen wilde bewegingen waardoor ze verjaagt worden. Met zeezoogdieren is het meestal zo dat zij bepalen tot hoe dicht je kunt naderen. Respecteer de afstand die ze toelaten en zwem niet naar ze toe wat ze op de vlucht kan doen slaan.

 

 
Hoe is je kennis van het onderwaterleven?

 

       

Ga naar Swordfish-Diving